Alle soorten › Trogonachtigen
Trogonachtigen | Trogoniformes
Trogons | Trogones
Vogels van gesloten bos met een gedrongen romp, een grote kop op een korte hals en een lange, recht afhangende staart met brede, vierkant eindigende buitenste pennen. De snavel is kort en breed met een wijde bek en fijn getande snijranden, omgeven door borstelveren. De voet is heterodactyl: de eerste en de tweede teen wijzen naar achteren en de derde en de vierde naar voren, een stand die bij geen enkele andere vogelgroep voorkomt; de poten zijn klein en zwak en dienen alleen om rechtop stil te zitten. Verplaatsing gaat vliegend, in korte, snelle vluchten waarbij insecten, rupsen en kleine vruchten al fladderend van blad of tak worden geplukt. De huid is opvallend dun en de veren zitten zo los in de huid dat ze bij vastgrijpen in bosjes loslaten. Er wordt gebroed in een holte die de vogel zelf uitknaagt in vermolmd hout of in een boomtermietennest, zonder nestmateriaal, op enkele ronde, ongevlekte eieren. De orde telt een enkele familie, met een wereldwijd tropische verspreiding in Amerika, Afrika en Zuidoost-Azië.
Families in deze orde
- Trogons | Trogonidae2 soortenIn zuidelijk Afrika wordt de familie door een enkel geslacht vertegenwoordigd, met soorten van dicht kustbos, bergwoud en beboste kloven. De romp is gedrongen, de kop groot en de hals kort, en de vogel zit uren rechtop en vrijwel onbeweeglijk op een tak halverwege het kronendak, alleen de kop draaiend; het is daardoor eerder de diepe, oplopende reeks holle roepen dan de vogel zelf die de aanwezigheid verraadt. De snavel is kort en breed met een wijde bek en fijn getande snijranden, omgeven door borstelveren, en om het grote oog ligt een kale, gekleurde huid die bij het roepen opzwelt. De heterodactyle voet, met de eerste en tweede teen naar achteren, is zwak en dient alleen om te zitten. Het mannetje is metaalgroen op kop, borst en rug met een rode buik; die glans komt van de veerstructuur en niet van pigment, zodat een zittende vogel met de rug naar de waarnemer nauwelijks van het blad te onderscheiden is en pas bij het wegdraaien oplicht. De huid is dun en de veren zitten zo los dat ze bij vastgrijpen loslaten. Het nest is een zelf uitgeknaagde holte in vermolmd hout of in een boomtermietennest, zonder bekleding, met twee tot vier ronde, ongevlekte eieren.