Alle soorten › Muisvogelachtigen › Muisvogels › Roodrugmuisvogel

Roodrugmuisvogel | Colius castanotus

Red-Backed Mousebird | Pájaro Ratón Dorsirrojo

De roodrugmuisvogel is een Angolese endeem en de westelijke tegenhanger van de witrugmuisvogel: een grijsbruine muisvogel met een opvallende kastanjerode stuit. Binnen het gebied komt hij alleen in het westen van Angola voor, waar hij in groepjes door droog struweel en tuinen trekt.

Roodrugmuisvogel (Colius castanotus)
Foto: Fred Berrington — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een schor, herhaald tsjie-tsjie-tsjie als contactroep, vooral in de vlucht, en een hoog, aanhoudend getjilp tijdens het foerageren.

Luister: RoepXC695571

Opname: Ken Behrens — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

30–35 cm, waarvan de staart ruim de helft uitmaakt. Het verenkleed is warmer grijsbruin dan bij de witrugmuisvogel, met een korte kuif en beigebruine onderdelen. Het beste kenmerk is een grote kastanjerode tot donkerrode vlek op onderrug en stuit, zonder witte rugstreep erboven; in zit is die vaak gedeeltelijk door de vleugels bedekt. De snavel is licht blauwgrijs met een donkere punt, de poten roodachtig. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer met een kleinere, bruinere stuitvlek. De vlucht is snel fladderend afgewisseld met glijden, laag tussen de struiken.

Verwarrings­soorten

De gestreepte muisvogel Colius striatus, die in Angola in vochtiger struweel en bosranden voorkomt, is fijn gestreept, heeft een donker masker, een zwart-witte snavel en donkere poten, en geen rode stuit. De roodwangmuisvogel Urocolius indicus in het zuiden van Angola heeft een kaal rood gezicht en een blauwgrijze stuit. De witrugmuisvogel Colius colius is lichter grijs en heeft boven de kastanjebruine stuit een witte, zwart omzoomde rugstreep; de twee soorten sluiten geografisch vrijwel op elkaar aan.

Leefgebied

Droge savanne, struweel en doornbos in het kustlaagland en op de voet van het escarpement, bosranden, verlaten plantages, boomgaarden en tuinen, ook in en rond steden. Mijdt gesloten bos. Eet vruchten, bladeren en bloemen, en leeft in groepjes die gezamenlijk slapen en zonnen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Eindemisch in het westen van Angola: het kustlaagland en het westelijke escarpement van ongeveer Cabinda en Zaïre zuidwaarts via Luanda, Cuanza Norte en Cuanza Sul tot Benguela en het westen van Huíla. Buiten Angola alleen enkele meldingen uit het uiterste westen van Congo-Kinshasa. In de rest van het gebied ontbreekt de soort.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het gemakkelijkst te vinden in de omgeving van Luanda en langs de weg naar het escarpement bij Kumbira en Gabela, waar hij in tuinen en struweel vaak te zien is. Een eerste waarneming is het meest overtuigend bij het opvliegen, wanneer de rode stuit zichtbaar wordt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; hoewel het areaal klein is, is de soort plaatselijk algemeen en past zij zich goed aan cultuurland en tuinen aan. Er zijn geen aanwijzingen voor achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Colius castanotus | Verreaux & Verreaux, 1855

Verreaux & Verreaux beschreef de soort in 1855 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Colius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. De herkomst van Colius is onzeker; mogelijk gaat het terug op het Griekse koloios, een naam voor een kauwachtige vogel, hier toegepast op de heel andere muisvogels. castanotus komt van het Griekse kastanon, 'kastanje', en nōton, 'rug' — naar de kastanjebruine onderrug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit geen vindplaats vermeld; volgens Sharpe (1892) Gabon.