Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Berggrootoorvleermuis
Berggrootoorvleermuis | Plecotus macrobullaris
Mountain Long-eared Bat | Orejudo Alpino
De berggrootoorvleermuis is gebonden aan gebergten: de Pyreneeën, de Alpen, de Dinarische Alpen, het Pindosgebergte, de Anatolische gebergten, de Kaukasus en de gebergten van Syrië en Iran, en daarnaast Corsica en Kreta. Zij is in 1965 door Kuzjakin uit Noord-Ossetië beschreven als ondersoort van de gewone grootoorvleermuis, en in 2001–2002 door twee onderzoeksgroepen tegelijk in de Alpen herontdekt en onder twee nieuwe namen beschreven, P. alpinus en P. microdontus. In 2003 bleek met DNA dat het om dezelfde soort ging, en ging de oudste naam gelden. Onderarm 37 tot 46 mm, gewicht 6 tot 10 gram; vastgesteld van zeeniveau tot 2800 m.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
In de Alpen zijn kraamkolonies bijna altijd in kerkzolders en oude huizen gevonden; de soort is er een van de vaakst aangetroffen vleermuizen op kerkzolders. In de Pyreneeën leidde het zenderen van 51 dieren vooral naar rotsspleten en puinhellingen tussen 1450 en 2430 m, waar mannetjes en niet-voortplantende vrouwtjes onder stenen verbleven en bijna elke dag van plek wisselden; slechts drie zogende of drachtige vrouwtjes zaten in gebouwen. In het zuidoosten van het areaal is de soort ook in grotten gevonden, samen met hoefijzerneuzen en Myotis-soorten. De pulsen verzwakken zo snel dat de meeste detectoren het dier zelfs op 5 m niet registreren; bij akoestisch onderzoek wordt de soort daardoor ondervertegenwoordigd, en bij drinkplaatsen zijn de vangsten volgens onderzoekers gering.
Herkenning
Een middelgrote grootoorvleermuis met oren van 34 tot 38 mm. De rugvacht is lang en dicht, bruin tot bleekgrijs, met haren die aan de basis zwart zijn; de buikzijde is dicht behaard en witachtig, het duidelijkst op de keel, vaak met een lichtgele zweem aan de zijkanten van hals en schouders. Een bruin masker loopt van de mond tot achter de ogen; de snuit is fors en de onderkaak roze. Het kenmerk dat bij de meeste dieren opvalt is een omgekeerd driehoekig kinkussentje onder de onderlip (95 procent van de dieren in de Zwitserse Alpen). Oren en tragus zijn lichtbruin; de tragus is gemiddeld 17,2 mm lang (14,2–20,0) en 5,8 mm breed (5,0–7,0). De duim is lang (gemiddeld 6,9 mm) met lange, slanke klauwen, zoals bij de gewone grootoorvleermuis, en de voeten zijn behaard. De vleugels zijn lichtbruin en doorschijnend. De penis is cilindrisch. De echolocatie bestaat uit dalende, frequentiegemoduleerde pulsen met meerdere harmonischen; de eerste loopt van ongeveer 46 naar 23 kHz, met een piek rond 35 kHz, de tweede begint rond 67 kHz. Dicht bij vegetatie of rotswand zijn de pulsen kort (tot 0,8 ms), boven open weiden lang (tot 7,3 ms) en lager van frequentie.
Gelijkende soorten
De berggrootoorvleermuis deelt haar gebergten met de gewone grootoorvleermuis (P. auritus), de grijze grootoorvleermuis (P. austriacus) en in de Balkan Plecotus kolombatovici. Het kinkussentje is het eerste kenmerk: omgekeerd driehoekig bij de berggrootoorvleermuis, afgerond of bananenvormig bij de andere soorten; bij jonge dieren is het soms donkerder en de vorm varieert, zodat het alleen niet altijd sluitend is. Van de gewone grootoorvleermuis, die net zo'n lange duim en lange klauwen heeft, verschilt zij door het bruine masker, de witachtige keel en buik en de cilindrische penis (bij de gewone smal toelopend). Van de grijze grootoorvleermuis en P. kolombatovici, die een knotsvormige penis hebben, verschilt zij door de duimlengte: langer dan 6,2 mm tegen korter dan 6,6 mm waar de drie soorten samen voorkomen. Een gecombineerde maatanalyse van acht lichaamsmaten deelde in Zwitserland 97,5 procent van de Plecotus-dieren juist in. Met de roep is de soort niet van de andere grootoorvleermuizen te scheiden: hoewel zij genetisch bij de auritus-groep hoort, lijkt haar signaal het meest op dat van de grijze grootoorvleermuis. Alle soorten zijn met korte mitochondriale DNA-merkers zeker te onderscheiden.
Leefgebied
Gebergten met steile hellingen, rotsen en open terrein; op grote schaal verklaart de topografie de verspreiding beter dan het klimaat, dat uiteenloopt van de koude, natte Alpen tot de warme, droge bergen van het Midden-Oosten. De soort is niet tot grote hoogte beperkt en komt in Kroatië en Italië ook laag voor. In de Pyreneeën jaagt zij in open terrein boven de boomgrens, tussen 1500 en 2500 m, in alpiene en subalpiene graslanden en in bossen van Oostenrijkse den, bij voorkeur in kalkgebied; in de Zwitserse Alpen mijdt zij grasland en kiest zij structuurrijke vegetatie; in Kroatië is zij met loofbos in verband gebracht en in de Italiaanse Alpen mijdt zij bos. Die tegenstrijdige uitkomsten kunnen op regionale verschillen of op verschillen in methode berusten.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De Pyreneeën (Frankrijk, Spanje), de Alpen (Oostenrijk, Frankrijk, Italië, Liechtenstein, Slovenië, Zwitserland), de Dinarische Alpen (Albanië, Bosnië en Herzegovina, Kroatië, Noord-Macedonië, Montenegro, Servië), het Pindosgebergte in Griekenland, de gebergten van Turkije, de Grote en Kleine Kaukasus, de Anti-Libanon in Syrië en de Alborz en het Zagrosgebergte in Iran; verder Corsica en Kreta. Er zijn twee mitochondriale lijnen die meer dan een miljoen jaar geleden uiteengingen (3,4 procent verschil): een westelijke in de Pyreneeën en Alpen en een oostelijke vanaf de Dinarische Alpen. Ze raken elkaar tussen de Oostelijke Alpen en Kroatië. Of ze als ondersoorten (P. m. alpinus en P. m. macrobullaris) moeten gelden, is zonder kerngenetisch onderzoek niet vastgesteld.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Het voedsel bestaat voor ongeveer 98 procent uit nachtvlinders, vooral uilen van open terrein; 96 procent van de met DNA bepaalde prooisoorten kan vleermuisroepen horen. Daarnaast komen enkele tweevleugeligen en kevers voor. De prooisoorten komen van subalpiene tot alpiene hoogten, wat erop wijst dat de dieren 's nachts over grote hoogteverschillen pendelen: in de Pyreneeën zijn verplaatsingen tot 7 km en meer dan 1000 m hoogteverschil in één nacht gemeten, bij een jachtgebied dat meestal binnen 4 km ligt. De soort jaagt waarschijnlijk zowel in de vlucht als door prooi van oppervlakken te plukken. Vrouwtjes vormen kraamkolonies van 5 tot 25, soms tot 50 dieren; drachtige en zogende vrouwtjes zijn zeer plaatstrouw, mannetjes niet. Over de winterslaap zijn geen bevestigde gegevens: de enige aanwijzingen zijn twee waarnemingen van overwinterende grootoorvleermuizen in ijsgrotten boven 2000 m in de Pyreneeën en de Sloveense Alpen, van vóór de beschrijving van de soort. Verspreiding, voedsel en roep wijzen op concurrentie tussen de berggrootoorvleermuis en de grijze grootoorvleermuis: in Zwitserland bewoont de grijze het laagland en de berggrootoorvleermuis het gebergte, in de Pyreneeën zijn zij naar hoogte gescheiden.
Waar en wanneer kijken
In de Alpen is een kerkzolder in een bergdorp de plek waar de soort het meest is gevonden; in de Pyreneeën zijn het juist de puinhellingen en rotswanden boven de boomgrens. Een foto van de kin van een dier in de hand, met het driehoekige kussentje, is het beste veldbewijs; laat de hantering over aan een vergunninghouder. Met een batdetector alleen blijft het bij ‘Plecotus spec.’.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) volgens de mondiale Rode Lijst, beoordeling 2016. Omdat de soort pas sinds 2002 van de andere grootoorvleermuizen wordt onderscheiden, is haar werkelijke staat onzeker. De vele vangsten in het hooggebergte en de vele verblijven in gebouwen in de Alpen en de Dinarische Alpen wijzen erop dat zij in berggebieden betrekkelijk algemeen is. In de Alpen liggen de meeste bekende kraamkolonies op kerkzolders, zodat beheer en renovatie van die gebouwen de kolonies direct raken. Of populaties in ver uit elkaar liggende gebergten genetisch geïsoleerd zijn, is onbekend. De soort staat in bijlage IV van de Habitatrichtlijn en valt onder de Conventie van Bern en het EUROBATS-verdrag.
Wetenschappelijke naam
Plecotus macrobullaris | Kuzyakin, 1965
Kuzyakin beschreef de soort in 1965 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Plecotus is Grieks, van plekein 'vlechten, in elkaar draaien' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de reusachtige oren die boven het voorhoofd aan elkaar vastzitten. macrobullaris betekent 'met grote blazen', van het Griekse makros 'groot' en het Latijnse bulla 'blaas', naar de opvallend grote gehoorblazen in de schedel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Ossetië.






