Het zoogdier binnen het dierenrijk
Een zoogdier is geen ding op zichzelf. Het is een synapside, die een viervoeter is, die een gewervelde is, die een chordadier is, die een dier is, die een eukaryoot is — elke groep zit in de vorige, als een reeks dozen. Deze bladzijde loopt die reeks af, van de cel met een kern tot het dier in de berm, en houdt halt bij de bouwkenmerken waaraan je elke groep herkent.
Van eencellige tot viervoeter met eivliezen — de omvattende groepen
Een zoogdier valt binnen een reeks steeds ruimere groepen, die begint bij de eencelligen met een celkern. Elke groep hieronder valt binnen de vorige: dit is één keten van omvattende groepen, geen volledig overzicht van alle takken. Bij de knopen waar de bouw duidelijk verschilt van die van de ruimere groep staat het kenmerk apart beschreven, en wat het het dier oplevert. Tot aan het ei met vliezen is dit dezelfde keten als in de vogelgids, en deze knopen staan er dan ook woordelijk hetzelfde.
-
Eukaryoten Eukarya
De cel met een kern en met mitochondriën als energiefabriek — de bouwsteen waaruit elk dier, elke plant en elke schimmel is opgetrokken.
-
Vormlozen Amorphea
De tak van eencelligen zonder vaste vorm, die kruipt op uitstulpingen van het eigen celvlies in plaats van te drijven achter een krans van zweepharen.
-
Zweepstaartverwanten Obazoa
De drie takken — breviaten, apusomonaden en achterzweepstaartigen — die samen de naaste verwantschap van het dierenrijk vormen.
-
Achterzweepstaartigen Opisthokonta
Dieren en schimmels samen: cellen die zich voortduwen met één zweepstaart aan de achterkant, precies zoals een zaadcel dat doet.
-
Diervormigen Holozoa
De diertak binnen de achterzweepstaartigen: alle dieren plus de eencelligen die dichter bij ons staan dan bij een schimmel, zoals de kraagflagellaten.
-
Dieren Metazoa
Alle echte dieren, van spons tot zoogdier: veelcellige organismen die hun voedsel binnenhalen door het op te eten.
Anatomisch kenmerk — Eén lichaam van samenwerkende cellenDe dieren in deze groep bestaan uit veel cellen met een taakverdeling: de ene cel vangt voedsel, de andere hecht het lichaam vast, weer een andere levert de geslachtscellen. Tussen de cellen zit een eiwitlijm — collageen — en eromheen ligt een gezamenlijk buitenvlies, zodat het geheel zich als één lichaam gedraagt. Daardoor kan een lijf veel groter zijn dan een cel, en van binnen een heel andere vorm hebben dan van buiten.
-
Weefseldieren Eumetazoa
Dieren met echte weefsels, zenuwcellen en spiercellen — alles behalve de sponzen, al is nog onbeslist of de ribkwallen erbij horen of erbuiten vallen.
-
Tweezijdigen Bilateria
Dieren met een voor- en een achterkant en met een linker- en een rechterhelft: de bouwvorm van vrijwel elk dier dat je ziet bewegen.
Anatomisch kenmerk — Een kop, een staart en een darm met twee openingenHet lichaam heeft een lengteas met een voorkant die vooropgaat en een achterkant die volgt. In die voorkant liggen zintuigen en zenuwcellen opeengehoopt tot iets wat een hoofd mag heten, en het darmkanaal loopt door van mond naar anus, zodat eten en verteren tegelijk kunnen gebeuren. Tussen buitenlaag en darm ligt een derde kiemlaag, het mesoderm, en daaruit zijn spieren, skelet en bloedvaten opgebouwd.
-
Nieuwmondigen Deuterostomia
De tak van de tweezijdigen waarbij de eerste opening van het embryo de anus wordt en de mond pas daarna doorbreekt; zeesterren en zee-egels zijn hierin onze verste neven.
-
Chordadieren Chordata
Dieren met een chorda, een holle zenuwstreng op de rug, kieuwspleten in de keel en een staart die voorbij de anus doorloopt.
Anatomisch kenmerk — Een veerkrachtige staaf in de rugIn de lengte van het lichaam ligt de chorda: een stevige maar buigzame staaf van vloeistofgevulde cellen in een stugge huls. Spieren die aan weerszijden aan die staaf trekken vouwen het lichaam niet zomaar dubbel, maar laten het als een zweep heen en weer golven, want de staaf veert telkens terug. Zwemmen is daardoor gericht en snel in plaats van kronkelend, en pal boven de staaf ligt de zenuwstreng die het ritme aanstuurt.
-
Reukchordaten Olfactores
Chordadieren met een echt reukorgaan: gewervelden en manteldieren samen, met het lancetvisje er net buiten.
-
Gewervelden Vertebrata
Dieren waarbij een reeks wervels de plaats van de chorda inneemt en waarbij een schedel zich om de hersenen sluit.
Anatomisch kenmerk — Een ruggengraat en een doos om de hersenenRond de chorda liggen losse elementen van kraakbeen of bot die aaneengeschakeld een wervelkolom vormen: sterker dan de staaf alleen, en met beweeglijke gewrichten tussen de segmenten. Aan de voorkant sluit een schedel zich om de hersenen, en het embryo heeft een eigen soort weefsel, de neurale lijstcellen, dat kaken, tanden en gezichtsbeenderen levert. Het lichaam heeft daarmee een inwendig frame dat meegroeit, in plaats van een pantser dat telkens vervangen moet worden.
-
Kaakdragers Gnathostomata
Gewervelden met kaken; hoe ruim de naam is hangt af van de auteur, want wie hem tot de kroongroep beperkt laat de uitgestorven pantservissen erbuiten en maakt hem gelijk aan Eugnathostomata.
Anatomisch kenmerk — Scharnierende kaken in de voorste kieuwbogenDe voorste kieuwbogen — kraakbenige beugels in het keelkorfje — staan hier niet rechtop maar naar voren gekanteld, en vormen scharnierende kaken. Een bovenkaak en een onderkaak sluiten op elkaar, met tanden erop van hetzelfde weefsel als de huidschubben. Een dier dat kan bijten hoeft niet af te wachten wat er langs komt drijven: het grijpt een prooi, houdt die vast en snijdt haar in stukken, en daardoor is jagen een manier van leven.
-
Echte kaakdragers Eugnathostomata
De kroongroep van de kaakdragers: haaien en roggen aan de ene kant, alles met een beenskelet aan de andere — maar over waar de uitgestorven pantservissen precies vallen, en dus hoe ver de naam reikt, verschillen de auteurs van mening.
-
Beenskeletdieren Euteleostomi
Gewervelden met een echt beenskelet, straalvinnigen zowel als kwastvinnigen; de een gebruikt de naam als exact synoniem van Osteichthyes en de ander voor een iets engere kroongroep, dus let op wie hem schrijft.
-
Kwastvinnigen Sarcopterygii
Vissen bij wie elke gepaarde vin aan een vlezige, beschubde steel met inwendige botten aan het lichaam zit — coelacant, longvis en alles wat op het land loopt.
-
Longkwastvinnigen Rhipidistia
De kleinste groep die de longvis en het zoogdier beide omvat: de kwastvinnigen met longen, met de coelacant er net buiten.
-
Viervoetvormigen Tetrapodomorpha
Kwastvinnigen die dichter bij ons staan dan bij de longvis, van Eusthenopteron en Tiktaalik tot elk zoogdier van vandaag.
Anatomisch kenmerk — Een vin met de botten van een armIn de vlezige borstvin liggen de botten in een vaste volgorde: één bot tegen de schouder aan, daarachter twee naast elkaar, en pas daarna de waaier van vinstralen. Dat ene bot is het opperarmbeen, de twee daarachter zijn spaakbeen en ellepijp — bij een vogel de vleugel, bij de mens de arm. De kop van het opperarmbeen is bovendien bol en draait in een kom van de schoudergordel, zodat de vin kan steunen en duwen in plaats van alleen te roeien.
-
Viervoeters Tetrapoda
Gewervelden met vier ledematen die eindigen in vingers en tenen, ook in de groepen waar die ledematen ontbreken, zoals bij de slang.
Anatomisch kenmerk — Vingers, een nek en ribben die gewicht dragenAan het uiteinde van de poot zit geen waaier van vinstralen maar een reeks losse kootjes met gewrichten ertussen, waarmee het dier zich kan afzetten tegen de bodem. De schoudergordel raakt de schedel niet, zodat er een nek is en de kop kan draaien zonder dat het hele lijf meedraait. De ribben zijn zwaar en houden de borstkas open, want buiten het water drukt een lichaam op zijn eigen longen.
-
Dieren met eiervliezen Amniota
Viervoeters die zich voortplanten met een ei waarin het embryo zijn eigen waterbad meedraagt — zoogdieren aan de ene kant, reptielen en vogels aan de andere.
Anatomisch kenmerk — Het ei dat zijn eigen vijver meeneemtOm het embryo liggen drie vliezen: het amnion met de vloeistof waarin het drijft, het allantois dat afval opslaat en de ademhaling verzorgt, en het chorion dat het geheel omsluit. Daaromheen zit een leerachtige of kalkige schaal die water binnenhoudt maar zuurstof doorlaat. De voortplanting is daardoor niet aan poel of plas gebonden, en ook het droge binnenland — duinen, steppen, hooggebergte — ligt binnen bereik.
Van eiervlies tot hondtandige: groepen binnen groepen
Binnen de dieren met eiervliezen vallen twee grote groepen: de reptielen, met de vogels erbij, en de zoogdieren met hun verwanten. Die tweede volgen we hier, van steeds kleinere groep naar steeds kleinere groep, tot aan de hondtandigen — een tak die al liep toen de eerste dinosauriër nog honderd miljoen jaar weg was.
-
Dieren met één slaapvenster Synapsida
Alles wat dichter bij ons staat dan bij een hagedis: van Dimetrodon en de zoogdierreptielen van het Perm tot de spitsmuis in de berm. Deze tak splitst zich al in het Carboon van de reptielen af, ruim honderd miljoen jaar vóór de eerste dinosauriër.
Anatomisch kenmerk — Eén venster achter de oogkasIn het schedeldak zit aan elke kant één opening achter de oogkas, laag tegen de jukbeenboog aan. De kaakspieren hechten aan de rand van dat gat en puilen er bij het samentrekken doorheen, zodat er dikkere spieren in een even lichte schedel passen. Onder de opening blijft een smalle botbrug staan die de trekkracht opvangt. Een reptiel met twee vensters lost hetzelfde probleem met twee gaten op; een synapside doet het met één, en elk zoogdier draagt dat ene venster nog — de jukbeenboog die je bij jezelf boven de wang voelt is de onderrand ervan.
-
Wigtandigen Sphenacodontia
De tak van de vroege synapsiden waaruit de zoogdieren voortkomen, met Dimetrodon als bekendste lid — het zeilrugdier dat in elk kinderboek tussen de dinosauriërs staat, dat al veertig miljoen jaar uitgestorven was toen de eerste dinosauriër verscheen, en dat van de twee veruit het dichtst bij de mens staat.
Anatomisch kenmerk — Een gebit dat niet meer overal hetzelfde isDe tanden in de bovenkaak zijn geen rij gelijke punten meer: vooraan staan snijtanden, daarachter één paar veel grotere hoektanden, en daarachter weer kleinere. Het bot van de bovenkaak is boven die hoektand verdikt, want daar komt bij het bijten de meeste kracht op te staan, en de voorste tanden staan in diepe kassen in plaats van ondiep op de kaakrand. Een dier dat op één plek in zijn kaak hard kan doorbijten hoeft zijn prooi niet in zijn geheel door te slikken: het kan hem eerst doden en dan in stukken delen. Het onderscheid tussen snijtand, hoektand en kies begint hier.
-
Zoogdierreptielen Therapsida
De synapsiden bij wie de kop groter wordt en de poten onder het lichaam komen: gorgonopsiden, dicynodonten, therocephaliërs en hondtandigen. In het Perm zijn zij het grote landleven; van die rijkdom blijft na de uitsterving aan het eind van dat tijdperk één kleine tak over.
Anatomisch kenmerk — De poten onder het lichaamHet dijbeen steekt niet meer opzij naar buiten maar draait naar onderen weg, en de kom in het bekken kijkt daarom naar buiten en omlaag in plaats van recht opzij. De poot draagt het lichaam als een pilaar; de romp hangt er niet meer tussenin. Dat scheelt zoveel spierkracht dat lopen en ademen elkaar niet langer in de weg zitten — een hagedis die rent moet haar romp zijwaarts krommen en knijpt daarbij haar eigen longen dicht. Het slaapvenster is bovendien veel groter geworden en de kaakspier grijpt nu ook aan op de buitenkant van de jukbeenboog, zodat de beet harder is en de kop zwaarder mag zijn.
-
Echte roofdiertandigen Eutheriodontia
Therocephaliërs en hondtandigen samen: therapsiden met een smalle snuit, een beweeglijke kaak en een steeds kleiner wordend stel botjes achter in de onderkaak. In het verhemelte van verscheidene therocephaliërs lopen al groeven die op een gescheiden neusgang wijzen, en in de snuit zitten openingen voor zenuwen en bloedvaten waarin sommigen de eerste snorharen zien — hard te maken is dat laatste niet.
-
Hondtandigen Cynodontia
De tak waaruit alle zoogdieren voortkomen, verschenen in het late Perm en door de grote uitsterving heen gekomen. Het gebit valt er uiteen in delen die elk iets anders doen, de hersenpan bolt achter in de kop op, en het voorste bot van de onderkaak is er al veruit het grootste.
Anatomisch kenmerk — Kauwen en ademen tegelijkTussen de neusholte en de mond groeit een tweede verhemelte dicht: een benen plaat die de ingeademde lucht van de neusgaten naar achteren leidt, tot voorbij de plek waar het voedsel ligt. Daardoor hoeft een dier het kauwen niet te onderbreken om adem te halen — en hoeft het eten dus ook niet in één keer naar binnen. Boven- en ondertanden sluiten bovendien op elkaar in plaats van langs elkaar heen te schuiven, zodat voedsel werkelijk wordt fijngemaakt voordat het de maag bereikt. Wie zijn voedsel vermaalt haalt er meer uit, en meer eruit halen is precies wat een lichaam nodig heeft dat zijn eigen warmte stookt.
Het zoogdier binnen de hondtandigen
Elke groep hieronder valt binnen de vorige: binnen de hondtandigen een reeks steeds kleinere takken, en onderin de zoogdieren. Onderweg verandert de onderkaak van een bouwsel van meerdere botten in één bot, verhuist het oude kaakgewricht naar het oor, en komt uit de huid iets wat warmte vasthoudt. Vrijwel alles wat een zoogdier nodig heeft dragen de dieren in deze groepen al; het is er alleen nog niet af.
-
Echte hondtandigen Eucynodontia
De hondtandigen vanaf het Vroeg-Trias, uiteenvallend in twee takken: de overwegend plantenetende cynognathiërs met hun brede, in elkaar grijpende kiezen, en de probainognathiërs — de tak waarin de zoogdieren zitten.
Anatomisch kenmerk — Eén bot dat de hele onderkaak overneemtDe onderkaak van een reptiel bestaat uit een rij botten. Hier groeit het voorste daarvan, het dentarium, naar achteren uit tot het bijna de hele kaak beslaat, met een hoge uitloper die tot tegen de schedel reikt. De botjes daarachter — articulare, angulare, quadratum — worden juist kleiner en zitten als een klein pakketje in de kaakhoek. De kaakspier hecht nu aan het dentarium zelf en trekt recht omhoog in plaats van naar achteren, zodat de beet sterker is en het oude kaakgewricht juist mínder kracht te verduren krijgt. Dat is de voorwaarde voor alles wat erna komt: pas als dat gewricht niets meer hoeft te dragen, kan het iets anders gaan doen.
-
Vooruitgaande kaken Probainognathia
De helft van de echte hondtandigen waarin de zoogdieren zitten: overwegend kleine vlees- en insecteneters met een smalle snuit, en zonder het gat in het schedeldak waar bij hun voorouders nog een derde oog zat. Drie takken hieruit komen de uitsterving aan het eind van de Trias door, en één daarvan zijn de zoogdierachtigen.
Anatomisch kenmerk — Twee kaakgewrichten naast elkaarAchter in de kaak liggen bij Probainognathus twee scharnieren tegen elkaar aan: het oude, tussen het quadratum van de schedel en het articulare van de kaak, en een nieuw, waarbij het dentarium rechtstreeks tegen het squamosum van de schedel steunt. Zolang ze er allebei zijn hoeft er niets ineens te veranderen — en juist daarom kán er iets veranderen: het nieuwe gewricht neemt het dragen over, het oude komt vrij. Diezelfde twee botjes gaan verderop in deze reeks naar het middenoor; hier dragen ze nog een kaak.
-
Prozostrodonten Prozostrodontia
De laatste takken vóór de zoogdieren: tritylodonten met knaagdierachtige kiezen, tritheledonten, en de zoogdierachtigen zelf. De dieren zijn klein — een schedel van een duimnagel tot een handpalm — en de oogkassen zijn groot ten opzichte van die schedel, wat samen met het fijne reukvermogen op een leven in het donker wijst.
Anatomisch kenmerk — Klein blijven, en daarvan levenDeze dieren zijn stuk voor stuk klein, en klein zijn kost warmte: een lichaam verliest die over een oppervlak dat sneller groeit dan de inhoud die hem maakt. Dat is waarschijnlijk waarom hier tegelijk het gebit fijner wordt, de neusholte ribbels draagt waaraan bij een zoogdier de dunne benen krullen zitten die ingeademde lucht verwarmen en bevochtigen, en de stofwisseling omhooggaat. Wat begint als een noodgreep wordt een vak: een klein dier dat zijn eigen warmte maakt kan jagen wanneer het koud is, en past overal waar een groot dier niet bij kan.
-
Zoogdiervormigen Mammaliamorpha
Tritylodonten en zoogdierachtigen samen. De tritylodonten zijn plantenetende hondtandigen met rijen kiezen die als vijlen over elkaar schuiven; zij houden het vol tot ver in het Krijt en zijn een van de weinige groepen die de zoogdieren op hun eigen terrein hebben beconcurreerd.
-
Zoogdierachtigen Mammaliaformes
Morganucodon, Sinoconodon, de docodonten en de kroongroep van de zoogdieren. Hier is het nieuwe kaakgewricht tussen dentarium en squamosum het dragende, en hangt het oude er als een klein pakketje botjes achteraan dat vooral nog geluid doorgeeft. De eerste zoogdierachtigen lopen rond in de Laat-Trias, ruwweg tegelijk met de eerste dinosauriërs — al was hun tak toen al honderd miljoen jaar van de reptielen gescheiden.
Anatomisch kenmerk — Tanden die maar één keer worden vervangenEen reptiel vervangt zijn tanden zijn leven lang, telkens opnieuw, en daardoor sluiten de boven- en onderrij nooit lang precies op elkaar. Hier gebeurt het twee keer: een melkgebit en daarna een blijvend gebit, en verder niets. Kiezen die maar één keer komen kunnen op elkaar worden ingeslepen tot hun knobbels in elkaars kuiltjes vallen, en zo'n gebit maalt in plaats van alleen vast te houden. Dat het bij twee keer blijft hangt aan iets anders in deze groep: een jong dat melk krijgt hoeft in zijn eerste maanden helemaal geen tanden te gebruiken, en kan dus wachten met zijn blijvende kiezen tot de kaak is uitgegroeid.
-
Zoogdieren Mammalia
Het einde van deze reeks en het begin van de volgende: de kroongroep van de zoogdieren, met haar, melkklieren, een onderkaak van één bot en drie botjes in het middenoor. Elk levend zoogdier valt erbinnen; Morganucodon en de docodonten net erbuiten.
Anatomisch kenmerk — Drie botjes in het oor, en een klier die ooit een ei vochtig hieldHet oude kaakgewricht is hier helemaal uit de kaak losgeraakt. Het quadratum heet nu aambeeld, het articulare heet hamer, en samen met de stijgbeugel — het botje dat een reptiel al had — brengen zij de trilling van het trommelvlies over naar het binnenoor. Drie botjes achter elkaar werken als een hefboom en maken van een zwakke beweging over een groot vlies een sterke beweging op een klein venster, en daardoor hoort een zoogdier hoge tonen die geen reptiel oppikt. Die verhuizing is stap voor stap in het gesteente terug te vinden, van een kaak met twee gewrichten tot een oor met drie botjes: er is in de hele paleontologie weinig dat zo goed is vastgelegd. Uit de huid komt haar, dat de warmte vasthoudt die het dier zelf maakt, en tussen dat haar liggen klieren die melk afgeven — vermoedelijk begonnen als huidklieren die een perkamentachtig ei vochtig en schimmelvrij hielden. Het vogelbekdier gebruikt ze nog zo: geen tepel, maar melk die op een plukje buikhaar komt te staan en die het jong eraf likt.
De groepen binnen de zoogdieren
Vanaf de zoogdieren is het geen enkele reeks meer: de groepen liggen in en naast elkaar. De eerste paar hieronder vallen nog netjes binnen elkaar; wat daarna volgt zijn losse takken uit diezelfde boom, geen opeenvolgende schakels. De volgorde en de namen zijn die van de stamboom op de voorpagina van deze gids. Het merkwaardige van deze boom is dat je hem aan de dieren niet ziet: de moleculen brachten groepen bij elkaar die uiterlijk niets met elkaar te maken hebben.
-
Zoogdieren Mammalia
De kroongroep van alle levende zoogdieren: de kleinste groep die het vogelbekdier, de kangoeroe en de mens alle drie omvat. De eerste van de drie takken daarbinnen, de eierleggende zoogdieren, komt in Europa niet voor; deze gids begint dus pas bij de tweede vertakking.
-
Levendbarende zoogdieren Theria
Buideldieren en placentadieren samen, dus alle zoogdieren behalve het vogelbekdier en de mierenegels. Elk Europees zoogdier hoort hier. In de stamboom op de voorpagina van deze gids staat deze knoop niet apart: hij valt daar samen met het zoogdier zelf, juist omdat de eierleggers in Europa ontbreken.
Anatomisch kenmerk — Een jong in plaats van een eiHet ei verliest zijn schaal en blijft in het lichaam van het moederdier; wat naar buiten komt is een jong. Bij de buideldieren gebeurt dat heel vroeg en gaat de ontwikkeling verder aan de tepel; bij de placentadieren blijft het jong veel langer binnen. In het oor komt er iets bij: het slakkenhuis rolt zich op tot een spiraal van meer dan een volle winding, zodat een lang trilvlies in een kleine ruimte past en het dier tonen kan scheiden die een eierlegger niet uit elkaar houdt. En de tepel is er: melk komt niet meer op de huid te staan maar door een opening waar het jong zich aan vastzuigt.
-
Buideldieren Marsupialia
Zoogdieren die een piepklein jong baren dat verder opgroeit aan de tepel, meestal in een buidel. In Europa niet inheems: de enige soort in deze gids is uitgezet en heeft standgehouden.
Anatomisch kenmerk — Geboren worden als embryoHet jong komt na enkele weken ter wereld, niet groter dan een boon, met achterpoten die nauwelijks zijn aangelegd maar met voorpoten die al klauwen dragen en een mond die alleen kan zuigen. Het kruipt op eigen kracht van de geboorteopening naar de tepel, hecht zich daaraan vast en laat weken- tot maandenlang niet los. De ontwikkeling gebeurt dus grotendeels buiten het lichaam in plaats van erbinnen, en dat heeft een voordeel dat vaak over het hoofd wordt gezien: in een slecht jaar kost het afbreken van de zorg het moederdier bijna niets, terwijl een placentadier dan al maanden heeft geïnvesteerd.
-
Placentadieren Placentalia
Zoogdieren waarvan het jong in de baarmoeder wordt gevoed door een placenta en ver ontwikkeld ter wereld komt. Alle Europese zoogdieren horen hier.
Anatomisch kenmerk — Een orgaan dat twee dieren samen bouwenDe placenta is voor de helft van het jong en voor de helft van het moederdier: vlokken van het embryo dringen in de baarmoederwand en komen tot vlak tegen de moederlijke bloedvaten, zonder dat het bloed zich mengt. Zuurstof, suiker en afvalstoffen steken over. Tegelijk moet het afweersysteem van de moeder een half lichaamsvreemd wezen maandenlang met rust laten, en dát is het wonder, niet het eerste. Het jong kan daardoor binnen blijven tot het klaar is: een veulen dat binnen een uur naast zijn moeder staat, een haasje dat met open ogen en een vachtje in een leger ligt.
-
De zuidelijke tak Atlantogenata
De tak die achterbleef toen Afrika en Zuid-Amerika van de noordelijke continenten losraakten: de Afrikaanse zoogdieren aan de ene kant, de gordeldieren en luiaards aan de andere. In Europa alleen aan de zuidrand vertegenwoordigd.
-
Afrikaanse zoogdieren Afrotheria
Olifant, zeekoe, klipdas, aardvarken, tenrek, goudmol en olifantspitsmuis — een groep die niemand aan het uiterlijk zou hebben afgelezen en die pas uit het erfelijk materiaal tevoorschijn kwam. In deze gids levert zij twee ordes aan de zuidrand van het gebied: de olifantspitsmuizen en de klipdassen.
Anatomisch kenmerk — Een groep die alleen in het DNA bestaatEr is geen bot en geen tand waaraan je een afrotheriër herkent: een goudmol lijkt op een mol, een olifantspitsmuis op een spitsmuis, een klipdas op een marmot — en geen van die gelijkenissen betekent verwantschap. Wat ze wél delen zit in het erfelijk materiaal: dezelfde ingevoegde stukjes DNA op precies dezelfde plaatsen, die maar één keer ontstaan en daarna overerven. Eén ding zie je desondanks aan het skelet, en het is een merkwaardig ding: bij vrijwel elk ander placentadier tellen de borst- en lendenwervels samen negentien of twintig stuks, en bij verscheidene afrotheriërs loopt dat getal daar ruim boven.
-
De noordelijke tak Boreoeutheria
Vrijwel de hele Europese zoogdierfauna komt uit deze ene tak. Hij splitst zich meteen in tweeën: primaten en knaagdieren aan de ene kant, en aan de andere de insecteneters, vleermuizen, roofdieren en hoefdieren.
-
Primaten en knaagdieren Euarchontoglires
Knaagdieren, haasachtigen, primaten, toepaja's en huidvliegers. In Europa is dat vrijwel uitsluitend de knaagdierkant: bijna de helft van alle soorten in deze gids valt hierbinnen, en op één na allemaal aan die ene kant van de vertakking.
-
Primaten en verwanten Euarchonta
Primaten, toepaja's en huidvliegers. In Europa levert deze tak één orde en, buiten de mens om, één in het wild levende soort: de berberaap op de rots van Gibraltar, de enige aap van Europa.
-
Knaagdieren en haasachtigen Glires
Twee ordes met wortelloos doorgroeiende snijtanden en een tandeloze ruimte daarachter; samen bijna de helft van alle Europese zoogdiersoorten.
Anatomisch kenmerk — Een beitel die nooit op raaktDe voorste snijtanden hebben geen wortel en groeien het hele leven door, bij een knaagdier een paar millimeter per week. Het glazuur zit alleen op de voorkant; de achterkant is zachter tandbeen en slijt sneller, zodat de tand zichzelf tot een schuine beitel aanscherpt zolang het dier maar blijft knagen. Achter die snijtanden ligt een kale ruimte zonder tanden, en daar kan een knaagdier zijn wangen naar binnen vouwen: het knaagt door hout of grond zonder de spaanders binnen te krijgen. Valt de tegenoverstaande tand uit, dan is er niets meer dat de groei afremt — de tand krult door en groeit ten slotte de schedel in, en dat is het einde van het dier.
-
Insecteneters, vleermuizen, roofdieren en hoefdieren Laurasiatheria
Egels, mollen en spitsmuizen, alle vleermuizen, alle roofdieren en alle hoefdieren. Veruit de meeste Europese zoogdiersoorten die geen knaagdier zijn staan in deze tak, en de insecteneters staan er het verst naar buiten: zij zijn de zustergroep van al het overige.
-
Vleermuizen, roofdieren en hoefdieren Scrotifera
Alle laurasiatheriërs behalve de insecteneters. Wat een vleermuis met een ree en een wolf gemeen heeft, is aan geen van drieën af te zien; het staat in het erfelijk materiaal en nergens anders.
-
Roofdieren en hoefdieren Fereuungulata
Een tak die de genetica bij elkaar bracht en die je aan het uiterlijk niet ziet: de wolf staat dichter bij het hert dan bij de egel.
-
Roofdieren Ferae
Roofdieren en schubdieren samen. In Europa levert deze tak één orde, de Carnivora, met daarin alles van de wezel tot de ijsbeer — en, anders dan de naam doet vermoeden, ook de das die vooral regenwormen eet.
Anatomisch kenmerk — Twee tanden die als een schaar sluitenBij elk roofdier zijn twee kiezen tegenover elkaar tot messen omgevormd: de laatste valse kies boven en de eerste ware kies onder. Zij raken elkaar niet met hun vlakken maar schuiven met hun randen langs elkaar heen, precies zoals de twee bladen van een schaar, en knippen zo pees en huid door waar een gewone kies van af zou glijden. Dat paar heet de scheurkiezen, en aan dat paar alleen lees je af wat een roofdier werkelijk eet: bij de kat zijn ze hoog en vlijmscherp, bij de das en de beer zijn ze afgevlakt tot een maalvlak, en bij de zeehond zijn de kiezen erachter tot spitse haken geworden die een vis vasthouden maar niets vermalen.
-
Echte hoefdieren Euungulata
Onevenhoevigen en evenhoevigen samen: paard, ezel en neushoorn aan de ene kant, zwijn, hert, rund en geit aan de andere — en, ver buiten dit kaartvenster, ook de walvissen, die binnen de evenhoevigen vallen.
Anatomisch kenmerk — Lopen op de toppen van de tenenEen hoefdier staat niet op zijn voetzool en ook niet op zijn tenen, maar op de nagels ervan: de nagel is een hoef geworden, een hoornen koker om het laatste teenkootje. De hand- en voetwortelbeentjes zijn tot één lange staaf aaneengegroeid, en de spieren die de poot bewegen zitten hoog tegen het lichaam met lange pezen naar beneden — het uiteinde van de poot weegt daardoor bijna niets en zwaait mee als een zweepje, wat bij elke stap energie scheelt. De twee ordes doen dat elk op hun eigen manier: bij het paard draagt één teen alles, bij het hert twee naast elkaar, en aan dat verschil — oneven of even — danken zij hun naam.
Van hoefdier tot walvis — de evenhoevigen
Bij de knoop Echte hoefdieren (Euungulata, aan het eind van het vorige deel) splitst deze keten voor het laatst: aan de ene kant de onevenhoevigen (paard, neushoorn), aan de andere de evenhoevigen — de tak waarbinnen de walvissen, ondanks hun uiterlijk, gewoon meetellen. Deze gids volgt vanaf hier de weg naar de walvissen; de herkauwers en de varkens, die verderop in deze gids een eigen orde en eigen soortbladzijden hebben, staan hier alleen als de zijtak waar de walvissen zich van hebben afgesplitst.
-
Onevenhoevigen Perissodactyla
Paarden, ezels, neushoorns en tapirs: dieren die op de nagel van hun middelste teen lopen, en bij het paard is dat de enige teen die nog over is. De zustergroep van de evenhoevigen — en dus ook van de walvissen — maar in Europa alleen in gedomesticeerde of verwilderde vorm aanwezig (het paard), niet als wild inheems zoogdier; deze gids gaat er daarom verder niet op in.
-
Evenhoevigen Artiodactyla
Zwijnen, kamelen, herkauwers — en, zoals moleculair onderzoek sinds de jaren negentig heeft aangetoond, ook de walvissen, die er genetisch diep in genesteld blijken te zitten. Deze gids behandelt de landlevende evenhoevigen (wilde zwijnen, herten, holhoornigen) verderop als eigen orde, met eigen familie- en soortbladzijden; deze keten volgt vanaf hier echter de tak naar de walvissen, waar de gids sinds 26 september 2026 ook soorten van heeft.
Anatomisch kenmerk — Een enkelbeentje met twee katrollenBijna elk zoogdier heeft in de enkel een sprongbeen (astragalus) met aan de bovenkant één rond gewrichtsvlak, als een scharnier. Bij de evenhoevigen heeft dat botje aan ALLEBEI de kanten zo'n rond vlak — een dubbele katrol — waardoor de poot niet alleen op en neer kan bewegen maar ook soepel afzet bij een sprong. Dat kenmerk is zo specifiek dat het decennialang gold als het bewijs bij uitstek voor deze orde. Toen paleontoloog Philip Gingerich in 2001 de eerste complete achterpoten van een vroege walvis (Rodhocetus, uit het Eoceen van Pakistan) opgroef, bleek precies dit botje er ook te zitten: de dubbele katrol, tot in detail. Dat loste een slepend dispuut in één klap op — genetici hadden de walvissen al jaren bij de evenhoevigen geplaatst, maar veel paleontologen twijfelden tot dit fossiel het zwart op wit liet zien.
-
Eeltpotigen Tylopoda
Kamelen, dromedarissen, lama's, alpaca's, guanaco's en vicuña's — de enige nog levende familie (Camelidae) van een ooit veel grotere tak. Van alle evenhoevigen zijn zij als eerste van de rest afgesplitst, en zij dragen dat nog in hun voeten: geen hoef om de teennagel, maar een brede eeltzool waarop het hele dier steunt. Niet inheems in Europa; deze gids gaat er verder niet op in.
-
Varkens en herkauwers (met walvissen) Artiofabula
Alle evenhoevigen behalve de eeltpotigen: varkens en pecari's aan de ene kant, herkauwers en walvissen aan de andere. Deze knoop bestaat pas sinds DNA-onderzoek hem aanwees; aan het skelet alleen was hij niet te zien.
-
Varkens en pecari's Suina
Echte varkens (Suidae, met het Europese wilde zwijn) en de Zuid-Amerikaanse pecari's (Tayassuidae) samen — twee families met een vergelijkbaar lijf maar, anders dan hun uiterlijk doet vermoeden, geen bijzonder nauwe verwantschap met de kamelen waar ze vroeger vaak naast werden gezet. Het wilde zwijn is de enige Europese vertegenwoordiger en staat verderop in deze gids met een eigen soortbladzijde.
-
Herkauwers en walvisachtigen Cetruminantia
De zustergroep van de varkens en pecari's: aan de ene kant de herkauwers (herten, holhoornigen, giraffen), aan de andere de walvisachtigen — nijlpaarden en walvissen samen. Alle Europese wilde herkauwers die verderop in deze gids een eigen bladzijde krijgen, vallen in deze tak; net als, aan de andere kant, de walvissen.
-
Herkauwers Ruminantia
Herten, holhoornigen (runderen, geiten, schapen, gazellen), giraffen en de kleine, hertachtige muskusherten. Op één familie na (de giraffen) allemaal met een gewei of horens, en allemaal met een voormaag waarin bacteriën het plantaardige voedsel voorverteren — waarna het dier het nog eens naar boven haalt om het rustig te herkauwen. Verreweg de meeste Europese hoefdieren in deze gids horen hier.
-
Nijlpaarden en walvissen Whippomorpha
Wat het nijlpaard en de walvis gemeen hebben, is aan geen van beide dieren af te zien: geen ander levend zoogdier staat genetisch dichter bij de walvissen dan het nijlpaard, en omgekeerd. Beide groepen splitsten zo'n vijftig tot zestig miljoen jaar geleden van elkaar af en gingen ieder een geheel eigen relatie met het water aan — het nijlpaard half in, half uit, de walvissen volledig erin.
Anatomisch kenmerk — Het DNA zei het eerst, het fossiel bewees het laterTot diep in de twintigste eeuw stonden nijlpaarden bij de varkens en werden walvissen als een aparte orde behandeld, hooguit verwant aan uitgestorven wolfachtige hoefdieren (mesonychiden). Begin jaren negentig kwamen de eerste DNA-vergelijkingen (Irwin & Arnason, Gatesy en anderen) met een ander antwoord: van alles wat nog leeft, is het nijlpaard de naaste verwant van de walvis. Veel paleontologen twijfelden — er was geen fossiel dat de twee dichter bij elkaar bracht dan bij de andere evenhoevigen — totdat latere vondsten van vroege walvissen met een dubbele-katrol-enkel (zie de vorige knoop) en van een klein, hertachtig dier genaamd Indohyus lieten zien dat de genetica gelijk had. Sindsdien geldt dit als een van de best gedocumenteerde gevallen waarin DNA een verwantschap voorspelde die het uiterlijk van de dieren volledig verborg.
-
Nijlpaarden Hippopotamidae
Het nijlpaard en het veel kleinere, schuwere dwergnijlpaard van West-Afrika — de twee enige nog levende soorten van een familie die ooit van Europa tot Azië voorkwam (fossiele nijlpaarden zijn uit het Pleistoceen van onder meer Engeland en Sicilië bekend). Niet inheems in het huidige Europa; deze gids gaat er verder niet op in.
-
Walvissen Cetacea
Het einde van deze keten, en het begin van de eigen orde-, familie- en soortbladzijden verderop in deze gids: baleinwalvissen (Mysticeti, met onder meer de gewone vinvis en de bultrug) en tandwalvissen (Odontoceti, met onder meer de potvis, de tuimelaar en de bruinvis) samen. Beide voorbeeldsoorten in de definitie hierboven — de gewone vinvis en de potvis — staan zelf met een eigen bladzijde in deze gids. Van een landdier dat nog op zijn nagels liep (de vorige knopen in deze keten) tot een dier dat zijn hele leven in zee doorbrengt en niet meer aan land kan komen: geen enkele andere levende zoogdiergroep heeft zijn lichaam zo volledig omgebouwd.
Anatomisch kenmerk — Terug het water in, in twintig miljoen jaarDe oudste walvissen (Pakicetus, zo'n 50 miljoen jaar oud) hadden nog vier functionele poten en liepen rond op het land, al waren ze aan de rand van het water te vinden. Bij Ambulocetus, een paar miljoen jaar later, zijn de achterpoten al omgebouwd tot roeispanen; bij de eerste protocetiden verschijnt een gestroomlijnde staart; en bij de basale walvissen van 40 tot 34 miljoen jaar oud (Basilosaurus) zijn de achterpoten geslonken tot twee kleine, functieloze beentjes die nooit meer de grond raken — sommige exemplaren dragen ze zelfs nog als duidelijk herkenbaar rudiment, verstopt in het lichaam. Van viervoetig landdier tot volledig aan het water gebonden zoogdier in zo'n twintig miljoen jaar: weinig overgangen in de hele evolutie van de zoogdieren zijn zo dicht op elkaar in het fossielenarchief vastgelegd als deze.
De keten volgt de gepubliceerde fylogenie; de definities zijn geschreven in de geest van de International Code of Phylogenetic Nomenclature (PhyloCode). Bij elke naam staat wie hem gaf en, waar dat een ander is, wie hem fylogenetisch omschreef; waar een naam alleen informeel in gebruik is, staat dat erbij. De knopen van Eukarya tot Amniota zijn woordelijk overgenomen uit Vorstmans gids van de Europese vogels: tot en met het ei met vliezen lopen vogel en zoogdier over dezelfde takken.