Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Egyptische stekelmuis
Egyptische stekelmuis | Acomys cahirinus
Cairo spiny mouse | Acomys cahirinus
De Egyptische stekelmuis (Acomys cahirinus) is een muis met een vacht van stekelhaartjes, waarvan de jongen behaard en met open ogen worden geboren. Net als andere stekelmuizen heeft hij een huid die bij geringe trekkracht losscheurt, wat het dier helpt aan een aanvaller te ontsnappen. De soort leeft in de rotswoestijnen van Noordoost-Afrika. Sinds de Mammal Diversity Database ook de stekelmuizen van Kreta, Cyprus en Zuid-Turkije tot deze soort rekent, komt hij ook in Europa voor.
Sporen
Een stekelmuis laat weinig sporen na, en die liggen meestal op steen. Prenten worden zelden gevonden: het dier weegt minder dan 50 gram en loopt over rots, gruis en muurwerk. In fijn stof of gemorst meel in een schuur ontstaat een muizenprent van hooguit 1 cm, met vier tenen aan de voorvoet en vijf aan de achtervoet. Bruikbaarder zijn de keutels: zwart, glanzend, spoelvormig, 3 tot 5 mm lang, en niet verspreid maar in hoopjes op een vaste plek, zoals een richel, een steenplaat of de rand van een spleet. Zo'n latrine is het duidelijkste teken dat een rotsspleet bewoond is. Bewoonde spleten hebben gladgesleten randen en een lichte muskusgeur, met aangevreten zaden, dadelpitten en lege slakkenhuisjes bij de ingang. De vraatsporen zijn die van een alleseter: krekelpoten en dekschilden van kevers, aangeknaagde gerstkorrels, en uitgeholde slakkenhuisjes met een breed opengeknaagde mondrand. In braakballen van kerkuil en oehoe is de stekelmuis een van de meest voorkomende prooien in rotsgebied; enkele braakballen onder een rotsrichel volstaan meestal om de aanwezigheid vast te stellen. Een minder algemeen spoor zijn stukken losgescheurde huid en afgebroken staarten in het hol van een slang of onder een uilenzitplaats, afkomstig van dieren die aan een predator zijn ontsnapt en daarbij een groot deel van de rughuid verloren.
Herkenning
Een gedrongen, grijsbruine tot zandkleurige muis van 10 tot 12 cm kop-romplengte, met een staart van ongeveer dezelfde lengte. Kenmerkend is de vacht: op rug en flanken staan platte, stijve stekelhaartjes die naar achteren wijzen en de rug een ruw, geribd uiterlijk geven; tegen de haarrichting in zijn ze met de vinger direct voelbaar. De buik is wit en scherp begrensd. De oren zijn groot (18 tot 24 mm) en dun, de ogen groot en zwart, de snuit is spits. De staart is schaars behaard, geringd en breekbaar, en is vaak korter dan normaal: een stekelmuis die aan de staart wordt vastgepakt, verliest die en de staart groeit niet terug. Op Kreta is de rug grijzer en zijn de flanken roodgeel; in Egypte en Libië is het dier bleker en zandkleuriger. De jongen zijn bij de geboorte al behaard en openen de ogen binnen twee dagen.
Gelijkende soorten
Verwarring is vooral mogelijk met andere stekelmuizen. De Sinaïstekelmuis (Acomys dimidiatus) is in het veld nauwelijks te onderscheiden: hij is gemiddeld iets kleiner en bleker zandkleurig, met een duidelijke witte vlek achter de oorbasis en onder het oog, en vervangt de Egyptische stekelmuis ten oosten van de Nijl en het Suezkanaal. Waar beide voorkomen, zijn karyotype en DNA beslissend. De gouden stekelmuis (Acomys russatus) is direct te herkennen aan de korte staart, 68 tot 78 mm, ruim de helft tot driekwart van de kop-romplengte, en aan de roestgele tot goudoranje rug; bovendien is hij dagactief, terwijl deze soort 's nachts actief is. Huismuis en huisrat komen in Egypte en op de eilanden in dezelfde gebouwen voor, maar hebben geen stekelvacht en een gladde, soepele staart. De jonge bosmuis op Kreta en Cyprus heeft grotere achtervoeten, maakt langere sprongen en heeft geen stekels.
Leefgebied
Droog, stenig terrein met spleten: rotswanden, puinhellingen, droge wadibeddingen met rotsblokken, kalkplateaus en de stapelmuren van oude terrassen; op Kreta en Cyprus daarnaast phrygana en lage maquis, tot in olijfgaarden en aan de rand van dorpen. Zandgebieden, het leefgebied van renmuizen, worden gemeden. De soort komt zelden boven 1500 m voor en gebruikt in het cultuurland oude stapelmuren, die dezelfde spleten bieden als een rotshelling. Rond boerderijen, graanschuren en tempelruïnes leeft hij dicht bij mensen, zonder zich echt in gebouwen te vestigen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Libië en Egypte oostwaarts tot Soedan, Eritrea, Ethiopië en Djibouti, en noordwaarts tot de Sinaï en het zuidoosten van Israël. In Noord-Afrika omvat het areaal de hele Egyptische rotswoestijn aan weerszijden van de Nijl en de kust van Cyrenaica. Sinds versie 2.5 rekent de Mammal Diversity Database op grond van genetisch onderzoek ook minous van Kreta, nesiotes van Cyprus en cilicicus van de Turkse zuidkust bij Silifke tot deze soort. Op Kreta komt hij vooral in het westen voor, rond Chania en Souda; op Cyprus in het droge binnenland. Hoe de eilandpopulaties daar zijn gekomen, is niet vastgesteld: op eigen kracht via een landverbinding die niet meer bestaat, of met scheepsladingen in de bronstijd.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Vooral nachtactief, in Egypte ook in het eerste uur na zonsopgang en het laatste uur voor zonsondergang, en op Kreta vooral in de schemering. De soort leeft in groepen met een kern van vrouwtjes, die in dezelfde spleet werpen, elkaars jongen zogen en de jongen gezamenlijk verzorgen; dit coöperatief broeden is zeldzaam bij knaagdieren. Alleseter; in onderzochte diëten vormen krekels het grootste aandeel (50 tot bijna 60 procent), daarnaast gerstkorrels, groene bladeren, zaden, slakken, spinnen, aas en in dorpen menselijk voedselafval. Hij kan ongeveer negen dagen zonder vochthoudend voedsel. De draagtijd is vijf tot zes weken, lang in vergelijking met andere muizen, en de worp telt één tot vijf jongen, die behaard en met open ogen worden geboren en binnen enkele dagen zelfstandig rondlopen. Een vrouwtje werpt drie tot vier keer per jaar; de jongen zijn na twee tot drie maanden volwassen. In gevangenschap worden ze vier jaar oud, in het wild veel minder. Als verdediging scheurt de huid van stekelmuizen bij geringe trekkracht, zodat een aanvaller een stuk vacht overhoudt; bij twee Oost-Afrikaanse verwante soorten is vastgesteld dat zulke wonden zonder littekens genezen en dat daarbij haarzakjes, huidklieren en kraakbeen opnieuw worden gevormd. Er is geen winterslaap.
Waar en wanneer kijken
Zoek een rotswand met spleten, ga bij het laatste daglicht zitten en wacht. In Egypte zijn verlaten kalksteengroeven en wadi's met grote rotsblokken geschikt; op Kreta zijn de stapelmuren en rotsranden van het schiereiland Akrotiri en de omgeving van Chania bekende locaties, in het eerste halfuur na zonsondergang. Gebruik een rode lamp: bij wit licht vlucht het dier de spleet in en komt niet terug. Zonder zichtwaarneming is de soort vast te stellen via de latrines met glanzend zwarte keuteltjes op richels en via braakballen onder een uilenzitplaats, waaruit de stekelharen gemakkelijk uit te pluizen zijn. Pak een stekelmuis nooit bij de staart: die breekt af.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is algemeen in kale rotsgebieden en maakt daarnaast gebruik van muren, ruïnes en graanopslag. De aandacht gaat uit naar de eilandpopulaties: de stekelmuis van Kreta stond als afzonderlijke soort Acomys minous op de Rode Lijst als onvoldoende gegevens (DD), en die van Cyprus gold als kwetsbare eilandendemiet. Doordat de Mammal Diversity Database ze nu bij A. cahirinus indeelt, vallen ze onder de beoordeling van een wijdverspreide soort en hebben ze geen eigen status meer; de omvang van de eilandpopulaties is door deze taxonomische wijziging niet veranderd.
Wetenschappelijke naam
Acomys cahirinus | (É. Geoffroy Saint-Hilaire, 1803)
É. Geoffroy Saint-Hilaire beschreef de soort in 1803 als Mus cahirinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Acomys is Grieks, van akē 'punt, scherpe spits' en mys 'muis', naar de stekelharen op de rug. cahirinus betekent 'van Caïro', naar de typelocatie; de stad heet in het Arabisch al-Qāhira. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Cairo.






