Alle soorten › Haasachtigen › Hazen en konijnen › Haas

Haas | Lepus europaeus

Brown Hare | Liebre Europea

De haas leeft zijn hele leven boven de grond. Hij graaft geen hol en maakt geen nest; hij rust in een ondiep kuiltje in open terrein, het leger. Daarbij passen de lange achterpoten, de ogen die hoog en ver uit elkaar in de kop staan, en de grote oren. Bij verstoring blijft een haas lang liggen en vlucht hij pas als een mens of roofdier dichtbij is. De soort komt voor van Noord-Spanje tot voorbij de Oeral.

Haas (Lepus europaeus)
Foto: Stephan Sprinz — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Omdat de haas niet graaft, liggen alle sporen aan de oppervlakte. Het leger is een ondiepe, ovale kuil van ongeveer 30 bij 15 cm, kaalgesleten en afgestemd op de grootte van het dier, met de open kant meestal uit de wind; legers liggen in bouwland, in ruig gras langs een sloot of onder een graspol, en één dier gebruikt er meerdere. De keutels zijn afgeplatte bolletjes van 15 tot 20 mm doorsnede, geelbruin, hard en zichtbaar vezelig; ze liggen los verspreid over het veld en niet op hoopjes. Dat is het bruikbaarste verschil met het konijn, dat zijn keutels in latrines legt. De prent is lang en smal, met vier tenen; de behaarde zolen maken de omtrek vaag. In de sprong komen de twee lange achtervoeten vóór de kleine voorvoeten neer, en de voorvoeten staan dan meestal achter elkaar op één lijn, terwijl het konijn ze naast elkaar zet. In sneeuw is dit groepje van vier prenten, met sprongen van een meter of meer, eenduidig. Ook de vraat is kenmerkend: een haas bijt twijgen af met een gladde, schuine snede van ongeveer 45 graden, terwijl een ree een gerafeld, afgetrokken einde achterlaat. In de winter schilt de haas bast van jonge bomen en struiken tot ongeveer 60 cm hoogte, iets hoger dan een konijn reikt. In maart zijn in wintergraan platgelopen kringen en banen te zien waar hazen de nacht ervoor achter elkaar aan hebben gerend en hebben gebokst.

Haas, sprong in de sneeuw: de twee lange achtervoeten voorop, de kleinere voorvoeten achter elkaar erachter
Sprong in de sneeuw: de twee lange achtervoeten voorop, de kleinere voorvoeten achter elkaar erachter · Foto: Gunnar Creutz — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Haas, keutels op oud gras: platgedrukte bolletjes vol grove plantenvezels, commanster in de belgische ardennen
Keutels op oud gras: platgedrukte bolletjes vol grove plantenvezels, Commanster in de Belgische Ardennen · Foto: James Lindsey — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

In zijn leefgebied

Haas, drie hazen in maartse achtervolging over akker en wei, vorarlberg
Drie hazen in maartse achtervolging over akker en wei, Vorarlberg · Foto: Böhringer Friedrich — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Haas, kop van dichtbij: de lange oren met de zwart-witte punt en het grote okerkleurige oog, uitkerkse polders
Kop van dichtbij: de lange oren met de zwart-witte punt en het grote okerkleurige oog, Uitkerkse Polders · Foto: Hans Hillewaert — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Het jong

Haas, jong in een bloemrijk weiland; hazen worden behaard en met open ogen geboren en liggen van het begin af aan in het open veld
Jong in een bloemrijk weiland; hazen worden behaard en met open ogen geboren en liggen van het begin af aan in het open veld · Foto: caroline legg — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een grote, hoogbenige haasachtige van open terrein, kop-romp 55 tot 75 cm en 3 tot 5 kg, anderhalf tot twee keer zo zwaar als een konijn; op het Iberisch Schiereiland de grootste haas. De oren zijn langer dan de kop en hebben aan de achterzijde een duidelijke zwarte punt. De ogen zijn groot, bolstaand en goudbruin en staan zo ver opzij dat het gezichtsveld bijna rondom reikt. De vacht is geelbruin tot roodbruin met een zwarte spikkeling; kin, buik en onderzijde van de staart zijn wit. De staart is zwart van boven en wit van onder en wordt bij het vluchten omlaag gedragen, zodat van achteren het zwart zichtbaar is. De achterpoten zijn duidelijk langer dan de voorpoten; in draf beweegt de haas hoog en schommelend, bij het vluchten strekt hij zich en haalt hij zestig kilometer per uur, met scherpe zijwaartse wendingen. De wintervacht is grijzer en voller, de zomervacht roder; de haas wordt nooit wit.

Gelijkende soorten

Het konijn is bij goed licht zonder twijfel te onderscheiden. Het is veel kleiner (kop-romp 36 tot 50 cm, 1,5 tot 3 kg), grijsbruin in plaats van geelrood, en de oren zijn korter dan de kop en hebben geen zwarte punt. Het draagt de staart bij het vluchten omhoog, zodat juist het wit zichtbaar is, beweegt in korte sprongen met gebogen rug, en vlucht in een hol, wat een haas nooit doet. Een konijn blijft bovendien dicht bij dekking, terwijl een haas midden op een kale akker ligt. De sneeuwhaas overlapt in de Alpen, Scandinavië, de Schotse Hooglanden en Ierland: kortere oren met weinig of geen zwart, een kortere, geheel witte staart, en in het noorden een witte wintervacht; de Ierse haas, een ondersoort van de sneeuwhaas, blijft in de winter bruin. Op het Iberisch Schiereiland komen twee andere hazen voor: de Iberische haas, iets kleiner en met meer wit op flank en achterlijf, die vrijwel het hele schiereiland bewoont, en de Cantabrische haas, donker en kortorig, in het Cantabrisch Gebergte. Waar de drie soorten in Noord-Spanje samenkomen, is de vindplaats betrouwbaarder dan het uiterlijk.

Leefgebied

Open, kleinschalig cultuurland: akkers met granen en hakvruchten, hooiland en weiden, en de kruidenrijke randen, dijken, bermen en houtwallen daartussen. Ook duinen en kwelders, jonge bosaanplant en kapvlakten, en in het zuiden droge steppegraslanden. De soort heeft een combinatie nodig van gewassen die dekking en voedsel bieden en kruidenrijke stroken waar het hele jaar voedsel te vinden is; grote, kale, eenvormige akkers bieden minder dan ze lijken. Bos wordt gemeden, behalve de rand.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Van Noord-Spanje tot voorbij de Oeral en van Ierland tot Noord-Iran; noordwaarts tot Zuid-Zweden en Zuid-Finland, waar de haas de sneeuwhaas geleidelijk verdringt. In de laaglanden van Midden- en West-Europa komt de soort vrijwel overal in open cultuurland voor; in Nederland bijvoorbeeld van de duinen en Waddeneilanden tot de Peel en de kleipolders, met de hoogste dichtheden op open akkerland in Zeeland, de Flevopolders en Noord-Groningen, en in België vooral in de leemstreek, de polders, Haspengouw en de Condroz. In Groot-Brittannië is de haas niet inheems: hij is waarschijnlijk in de ijzertijd ingevoerd, tussen ongeveer 500 en 300 v.Chr., en is nu wijdverbreid in het laagland van Engeland, schaarser in Wales en het zuidwesten, en ontbreekt grotendeels in de Schotse Hooglanden, waar de sneeuwhaas voorkomt. In Ierland is hij ingevoerd en vooral beperkt tot Mid-Ulster, waar hij met de inheemse Ierse haas kruist en die verdringt; daar wordt hij als invasieve soort behandeld. In Spanje bewoont de haas alleen het noordoostelijke kwadrant: van de Catalaanse kust ten noorden van de Ebro tot in centraal Asturië, en van Zuid-Aragón en de hoogvlakten van Burgos en Palencia tot de Franse grens en de Cantabrische kust. Elders op het Iberisch Schiereiland en op de Balearen komt de Iberische haas voor, in het Cantabrisch Gebergte de Cantabrische haas; in Portugal ontbreekt de haas. Buiten het natuurlijke areaal is de soort uitgezet in Zuid-Amerika, Australië, Nieuw-Zeeland, Canada en het noordoosten van de Verenigde Staten.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief, met de meeste activiteit in de eerste uren na zonsondergang en opnieuw rond zonsopkomst; overdag ligt de haas in het leger en verlaat hij dat alleen bij verstoring. In maart en april is hij ook overdag actief: hazen rennen dan achter elkaar aan en richten zich op de achterpoten op om met de voorpoten naar elkaar te slaan. Dat boksen is meestal geen gevecht tussen mannetjes, maar een vrouwtje dat een opdringerig mannetje afweert. Het voedsel bestaat uit gras, kruiden, jong graan, knollen en in de winter bast en twijgen. Het wordt twee keer verteerd: de zachte blindedarmkeutels worden opnieuw opgegeten, zodat het voedsel twee keer door de darm gaat. De draagtijd is 30 tot 42 dagen; een vrouwtje kan drie tot vier worpen per jaar krijgen van meestal twee tot vier jongen. Door superfoetatie kan zij opnieuw bevrucht worden terwijl ze nog drachtig is. De jongen worden volledig behaard en met open ogen geboren en kunnen vrijwel direct lopen; ze liggen afzonderlijk verscholen in het veld, en de moeder komt één keer per etmaal, kort na zonsondergang, om ze enkele minuten te zogen. Er is geen winterslaap of winterrust; de haas is het hele jaar actief.

Waar en wanneer kijken

Kijk in maart en april in het laatste uur voor het donker langs een akkerrand of vanaf een dijk met een telescoop; dan zijn hazen te zien die elkaar achternazitten en boksen. Beweeg langzaam en zoek met een verrekijker naar oren en ogen boven de ploegvoor; van een liggende haas zijn vaak alleen de zwarte oorpunten zichtbaar. Na verse sneeuw zijn de sprongsporen van het leger naar de voedselplek en terug te volgen. Wie in juni een jong haasje van ongeveer een handbreedte in het gras vindt, moet het laten liggen: het is niet verlaten, de moeder komt na zonsondergang terug.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2023). In West-Europa zijn de aantallen echter sinds de jaren zestig sterk teruggelopen. In Groot-Brittannië is de populatie in de afgelopen eeuw naar schatting met meer dan driekwart afgenomen en is de haas een prioriteitssoort voor bescherming; in Nederland, België, Duitsland en Frankrijk dalen de aantallen sinds de jaren zestig gestaag, in sommige streken met meer dan de helft. In Nederland staat de haas sinds 2020 op de Rode Lijst en is de jacht in een deel van de provincies gesloten. De oorzaken liggen in het landschap: schaalvergroting, het verdwijnen van kruidenrijke akkerranden en overhoeken, vroeg en frequent maaien waarbij jongen omkomen, en de vervanging van gemengd bouwland door grote percelen maïs en raaigras. Daarnaast spelen het European brown hare syndrome, een virusziekte die plaatselijk hele populaties doet verdwijnen, predatie door vossen en verkeer. In delen van Engeland en Ierland is illegale jacht met honden (hare coursing) een probleem. In Spanje, aan de zuidrand van het areaal, is de situatie minder ongunstig: de haas is er een gereguleerd klein wild, en de dichtheden hangen vooral af van droge graanteelt en jachtdruk; uitzettingen ter aanvulling leiden tot vermenging van hazen van elders met de plaatselijke populaties. De achteruitgang berust niet op verlies van areaal, maar op een afnemende kwaliteit van het leefgebied.

Wetenschappelijke naam

Lepus europaeus | Pallas, 1778

Pallas beschreef de soort in 1778 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Lepus is het Latijnse woord voor 'haas'. europaeus is Latijn voor 'Europees'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Polen.