Alle soorten › Knaagdieren › Slaapmuizen › Hazelmuis
Hazelmuis | Muscardinus avellanarius
Common dormouse | Muscardino
De hazelmuis is een goudoranje slaapmuis van ongeveer vijftien gram die 's nachts door de struiklaag klimt, ongeveer zeven maanden per jaar in winterslaap is en zich zelden meer dan honderd meter van zijn geboorteplaats verwijdert. Het dier zelf wordt zelden gezien. De aanwezigheid is het best vast te stellen aan opengeknaagde hazelnoten, die in oktober onder oude hakhoutstoven met hazelaar te vinden zijn.
Sporen
De hazelmuis opent een hazelnoot op een manier die bij geen ander dier voorkomt, en de opengeknaagde noten blijven jaren liggen. Hij knaagt van buitenaf een ronde opening in de schaal. Het determinatiekenmerk zit niet in de vorm van het gat maar in twee eigenschappen samen: de binnenrand van het gat is glad, zonder dwarse groeven, en op het schaaloppervlak rondom het gat staan fijne, schuine tandgroeven die onder een hoek van ongeveer 45 graden naar de rand lopen. Schuine groeven aan de buitenkant en een gladde binnenrand samen wijzen op de hazelmuis. Ter vergelijking: de bosmuis laat groeven achter op de rand zelf, dwars eroverheen, én ruwe knaagsporen op het schaaloppervlak; de rand voelt geribbeld. De rosse woelmuis laat regelmatige, evenwijdige groeven dwars over de rand, maar geen sporen op het oppervlak buiten het gat. De eekhoorn maakt geen rond gat: hij zet de ondersnijtanden in de punt van de noot en breekt de schaal in twee helften, of knaagt er een grote, rafelige opening in. Spechten en boomklevers klemmen de noot in een bastspleet en hakken hem open, waarbij de schaal versplintert. Met een handvol lege doppen van onder een oude hazelaar, met de opening naar boven onder een loep bekeken, is vast te stellen welke knaagdieren in dat perceel leven. Verder is er het zomernest: een bol van ongeveer vuistgrootte, gevlochten van repen kamperfoeliebast, gras en groene bladeren, laag in braam, hazelaar of een oude heg, en van binnen glad afgewerkt. Het gebruik van kamperfoeliebast is op zichzelf een determinatiekenmerk. Het winternest ligt op de grond: een compacte bol van bladeren en mos onder de strooisellaag, tegen de voet van een hakhoutstoof of onder een omgevallen stam. Keutels zijn 3 tot 4 mm lang, cilindrisch met stompe uiteinden, donker en glanzend, en worden in nestkasten en nestbuizen gevonden. In onderzoek worden nestkasten of zwarte nestbuizen in de struiklaag opgehangen; een bewoonde kast met een bladnest levert de gegevens waarop beheerplannen berusten.

In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een van de kleinste Europese slaapmuizen, en de enige die geheel goudoranje tot honingkleurig is, iets bleker op de buik en met een witte keelvlek. Kop-romplengte 6 tot 9 cm, staart 5,5 tot 8 cm; de staart is bijna even lang als het lichaam en over de hele lengte dicht behaard in de kleur van de rug, zonder pluim en zonder witte punt. Dat is het belangrijkste kenmerk. Stompe snuit, lange witte snorharen, grote, bolle zwarte ogen zonder donkere tekening eromheen, en kleine, ronde, dun behaarde oren die half in de vacht verdwijnen. De poten zijn roze, met lange grijptenen; de soort klimt behendig en hangt ondersteboven aan een braamtak om bij een bes te komen. Jonge dieren zijn in hun eerste najaar grijzer en doffer dan volwassen dieren. In de nazomer bouwt het dier een vetreserve op en weegt dan tot 43 gram; het is dan zichtbaar ronder en trager.
Gelijkende soorten
Verwarring is mogelijk met andere slaapmuizen en met twee muizen en woelmuizen. De eikelmuis is ongeveer twee keer zo groot, grijsbruin in plaats van goudoranje, heeft een zwart masker dat tot achter het oor doorloopt en een staart die eindigt in een zwart-witte kwast; verwarring is vrijwel alleen op een slechte foto mogelijk. De bosslaapmuis, in Midden- en Oost-Europa, is grijsbruin met een witte buik en heeft eveneens een donkere oogstreep, die echter bij het oor ophoudt; de staart is licht pluimig en tweekleurig. De relmuis is veel groter en grijs. De bosmuis leeft in hetzelfde bos, maar heeft zeer grote oren, uitpuilende ogen en een kale, geschubde staart, en springt in plaats van te klimmen. De rosse woelmuis is roodbruin op de rug, maar heeft een stompe kop, kleine ogen en een korte, dun behaarde staart van hooguit de halve lichaamslengte. Een aangeknaagde hazelnoot geeft vaak een zekerder determinatie dan een waarneming van het dier.
Leefgebied
Structuurrijk loof- en gemengd bos met een dichte, gevarieerde struiklaag, vooral hakhout met hazelaar en wilde kamperfoelie, bosranden, mantel- en zoomvegetaties en oude, brede heggen. De soort leeft van bloemen, stuifmeel, bessen en noten die elkaar het hele seizoen moeten opvolgen; hoe meer houtige soorten in één perceel, hoe beter: hazelaar, meidoorn, sleedoorn, kamperfoelie, braam, kornoelje, beuk, eik en haagbeuk door elkaar. Even bepalend is de verbondenheid: de hazelmuis mijdt de grond en steekt een open plek van tien meter bij voorkeur niet over, zodat een aaneengesloten kronendak van heg naar houtwal naar bos bepaalt of een gebied bewoond is. Van zeeniveau tot ongeveer 1500 m in de zuidelijke gebergten.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Zuid-Zweden en Zuid-Engeland tot Midden-Italië en de Balkan, en oostwaarts tot Midden-Rusland en Noord-Turkije. In Frankrijk loopt de zuidwestgrens door het midden en oosten van het land; ten zuiden van de Loire komt de soort plaatselijk voor, en in de Pyreneeën zijn geen populaties bekend. Op het Iberisch Schiereiland ontbreekt ze geheel; daar komen wel eikelmuis en relmuis voor. In Duitsland en Midden-Europa is de hazelmuis algemener, maar overal versnipperd. In Groot-Brittannië is ze beperkt tot Zuid-Engeland en Wales en wordt ze ten noorden van een lijn door de Midlands schaars, met enkele geherintroduceerde populaties in het noorden; in Schotland en Ierland ontbreekt ze. In Nederland is de hazelmuis een van de zeldzaamste zoogdieren en komt ze alleen voor in enkele hellingbossen in Zuid-Limburg, waaronder het Vijlenerbos en het Bunder- en Elsloërbos; in België in Voeren en enkele Limburgse bossen.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief en vrijwel geheel boombewonend: de hazelmuis komt zelden op de grond en beweegt zich door de struiklaag over takken die dunner zijn dan een potlood. Het voedsel volgt het seizoen: in het voorjaar bloemen en stuifmeel van meidoorn en kamperfoelie, in de zomer insecten en vooral bladluizen, in de nazomer bramen en lijsterbes en daarna hazelnoten en beukennootjes, waarmee een vetreserve wordt opgebouwd. Van oktober tot april of mei volgt een winterslaap op de grond, opgerold met de staart over de kop, waarbij de lichaamstemperatuur tot vlak boven die van de bodem daalt; dat beslaat meer dan de helft van het leven. Ook in het zomerhalfjaar gaat het dier op koude of natte nachten in dagtorpor. Die energiebesparing helpt de soort een slecht jaar te overleven, maar verklaart ook waarom populaties langzaam op een goed jaar reageren. Eén worp per jaar, in juli of augustus, van gemiddeld vier jongen, die grijs en blind worden geboren en pas in september zelfstandig zijn; een tweede worp slaagt alleen in een warme zomer en komt vaak te laat om voor de winter voldoende vet op te bouwen. Voor een klein knaagdier is de levensduur lang: vier tot vijf jaar in het wild is normaal, terwijl een bosmuis zelden ouder wordt dan een jaar.
Waar en wanneer kijken
Zoek naar noten in plaats van naar het dier. Ga in oktober of november naar een oud hakhoutbos of een brede, oude heg met hazelaars en zoek onder de struiken in de bladlaag: lege nootdoppen liggen daar vaak bij tientallen. Neem een loep of een telefooncamera met macrostand mee, want de schuine groeven aan de buitenkant zijn met het blote oog nauwelijks te zien. In juni is in hetzelfde bos soms een zomernest te vinden: zoek in braam en kamperfoelie op een halve tot twee meter hoogte naar een bol van gerafelde bast ter grootte van een vuist, en laat het nest met rust. Het dier zelf wordt alleen bij toeval gezien, op een zomernacht met een zwakke lamp langs een bosrand, of tijdens een begeleide nestkastcontrole; zulke controles zijn vergunningplichtig.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2021). In Noordwest-Europa gaat de soort echter achteruit. In Groot-Brittannië laten de landelijke nestkasttellingen sinds 2000 ongeveer een halvering zien; in Nederland staat de soort als bedreigd op de Rode Lijst en is de populatie beperkt tot enkele bossen in Zuid-Limburg. De oorzaken zijn overal dezelfde: het wegvallen van hakhoutbeheer, waardoor de struiklaag onder een gesloten kronendak verdwijnt, het verwijderen van heggen en houtwallen, en versnippering, waartegen een soort met zo'n klein leefgebied slecht bestand is. De hazelmuis staat op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en is strikt beschermd. Het werkzame beheer is bekend: hakhout in omloop houden, heggen met elkaar verbinden en de struiklaag behouden.
Wetenschappelijke naam
Muscardinus avellanarius | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Mus avellanarius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Muscardinus is gevormd bij het Franse muscardin, dat zowel de hazelmuis als een muskustablet aanduidt, bij het Provençaalse muscat 'naar muskus geurend'. avellanarius is Latijn voor 'van de hazelnoot', bij avellana 'hazelnoot', naar het voedsel; de noot heet op haar beurt naar Abella, een stadje in Campanië. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.





