Alle soorten › Haasachtigen › Hazen en konijnen › Konijn
Konijn | Oryctolagus cuniculus
European Rabbit | Conejo
Het konijn (Oryctolagus cuniculus) graaft holen, leeft in kolonies en werpt naakte, blinde jongen in een ondergrondse gang; daarin verschilt het van de hazen. Op de Rode Lijst van de IUCN staat de soort als bedreigd, omdat de aantallen in het natuurlijke verspreidingsgebied op het Iberisch Schiereiland en in Zuid-Frankrijk sterk zijn afgenomen. Buiten dat gebied is het konijn op verschillende continenten en op veel eilanden als exoot een ernstige plaag.
Sporen
Het konijn laat duidelijke sporen in de bodem achter, ook waar het dier zelf niet te zien is. Het hol heeft ingangen van 10 tot 50 cm doorsnee, schuin in een helling, met een waaier uitgegraven grond ervoor en kaalgetrapte grond eromheen; een kolonie graaft tientallen ingangen naast elkaar, samen een burcht. Vluchtpijpen die van binnenuit zijn gegraven, lopen loodrecht omlaag tot ongeveer een meter diep of iets dieper en hebben geen grondwaaier; daaraan zijn ze te herkennen. Kenmerkend zijn de latrines: hoopjes van tientallen tot honderden keutels op een verhoging, zoals een molshoop, graspol, steen of kale plek, steeds op dezelfde plaatsen aan de rand van het territorium. De keutels zijn ronde, harde bolletjes van 7 tot 12 mm, lichtbruin en vezelig, die tussen de vingers droog uiteenvallen; hazenkeutels zijn groter en liggen altijd los, nooit op een hoop. Daarnaast zijn er krabkuilen: ondiepe, komvormige kuiltjes van ongeveer vijf centimeter die het konijn met de voorpoten uitkrabt om bij wortels te komen of om te markeren. In duinen, ruig gras en struweel lopen vaste, kale wissels door de begroeiing, smal en laag, met plukjes wol aan de takken in de ruitijd. Twijgen worden glad en schuin afgebeten; in strenge winters wordt bast van jonge bomen tot ongeveer 50 cm boven de grond of boven de sneeuw afgeschraapt, soms rondom, waarna de boom afsterft. De prent is klein en behaard; in het sprongspoor staan de lange achtervoeten vooraan en de twee voorvoeten meestal naast elkaar, bij de haas achter elkaar.



In zijn leefgebied

Het jong

Herkenning
Klein en gedrongen, kop-romp 36 tot 50 cm en 1,5 tot 3 kg, veel lichter dan een haas. De vacht is grijsbruin met een fijne spikkeling, nek en poten zijn roestbruin, de buik is vuilwit, en achter het oor zit een kale, warm gekleurde plek. De oren zijn korter dan de kop en missen de zwarte punt van de haas; ze worden meestal rechtop en iets naar elkaar toe gedragen. De ogen zijn groot en donkerbruin. De staart is bovenop donkerbruin en van onderen zuiver wit en wordt bij het vluchten omhooggeklapt, zodat van achteren de witte onderzijde zichtbaar is. De achterpoten zijn korter dan bij de haas; het dier beweegt zich voort in korte, gebogen sprongen en zoekt bij verstoring binnen vijftig meter dekking op. Verwilderde tamme konijnen in stadsparken zijn vaak zwart, bont of geelbruin en zwaarder gebouwd, maar verder gelijk.
Gelijkende soorten
Verwarring is vooral mogelijk met de haas, maar bij goed licht is het verschil duidelijk: de haas is anderhalf tot twee keer zo zwaar, geelrood in plaats van grijsbruin, hoger op de poten, en heeft oren die langer zijn dan de kop en een zwarte punt hebben. Hij draagt de staart bij het vluchten omlaag, zodat de zwarte bovenzijde zichtbaar is, rent gestrekt en met scherpe zijwaartse wendingen in plaats van in gebogen sprongen, en vlucht nooit een hol in. Een half volgroeid konijn kan op een jonge haas lijken; de oren zijn bij een jonge haas al langer dan de kop, en het vluchtgedrag verschilt. Op het Iberisch Schiereiland en in Zuid-Frankrijk komt het konijn samen met de Iberische haas voor, in het noordoosten van Spanje ook met de haas, en op de Balearen naast verwilderde tamme konijnen. Andere Europese zoogdieren lijken er niet op.
Leefgebied
Droge, goed doorlatende, gemakkelijk vergraafbare grond met dekking op korte afstand: duinen, zandgronden, dijken en spoortaluds, kalkgraslanden, akkerranden met heggen en houtwallen, stadsparken en sportvelden. Op het Iberisch Schiereiland vooral mediterraan matorral en dehesa, waar het dier op open plekken graast en in het struweel (onder meer cistus en mastiek) dekking zoekt. Zware klei en permanent natte grond worden gemeden, bos alleen aan de rand gebruikt. Optimaal is een talud of helling om in te graven met kort gras binnen enkele tientallen meters; verder van dekking komen konijnen zelden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van oorsprong inheems op het Iberisch Schiereiland en in Zuid-Frankrijk; de populaties ten noorden daarvan zijn het gevolg van eeuwenlange uitzetting en ontsnapping, en die op andere continenten van aanvoer per schip. In Europa is de soort ingeburgerd tot in Zuid-Scandinavië. Op het Iberisch Schiereiland kwam het konijn tot enkele decennia geleden vrijwel overal voor; tegenwoordig is de verspreiding er onderbroken door grote lege gebieden. Er zijn twee genetisch gescheiden lijnen, een in het zuidwesten en een in het noordoosten, met een contactzone die het schiereiland diagonaal doorsnijdt. Volgens een veelgeciteerde maar onzekere verklaring gaat de naam van Spanje via het Latijnse Hispania terug op het Fenicische i-shphan-im, 'land van de klipdassen', omdat de Feniciërs de konijnen voor klipdassen zouden hebben aangezien; er bestaan ook andere verklaringen, en de herkomst van de naam is niet vastgesteld. Op de Balearen en de Canarische Eilanden is de soort in een ver verleden ingevoerd, en op die eilanden is de invloed op de endemische flora groot. In Groot-Brittannië werd het konijn in de twaalfde eeuw door de Normandiërs ingevoerd en in beheerde warrens gehouden voor vlees en pels, waarna het verwilderde; in de jaren vijftig was het er een van de algemeenste zoogdieren. In Ierland verliep de geschiedenis gelijk. In Nederland komt het vooral voor in de duinen en op de zandgronden, in Vlaanderen algemeen op de zandgronden van de Kempen en in de kustduinen; in Wallonië is het schaarser. In Noordwest-Europa heeft de soort grote terugvallen gekend (zie status); in de duinen leidt het wegvallen van begrazing door konijnen tot dichtgroeien van open duingrasland met duinriet en struweel, ten koste van planten en insecten van die graslanden, en op de Britse kalkgraslanden groeide na 1953 struweel over het voordien kortgegraasde grasland.
- Inheems
- Ingeburgerd
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Schemeractief: de meeste konijnen komen in de laatste twee uur voor het donker boven de grond en blijven tot ver in de nacht actief, met een tweede piek rond zonsopgang; op ongestoorde plekken foerageren ze ook overdag. Ze leven in kolonies met een vaste rangorde, waarin de dominante voedster de beste kraamgangen bezet. Het voedsel bestaat uit gras, kruiden, schors en scheuten en wordt twee keer verteerd: de zachte blindedarmkeutels worden 's ochtends in het hol opnieuw opgenomen, zodat het voedsel een tweede keer door de darm gaat. De draagtijd is ongeveer 30 dagen; een voedster kan van de late winter tot in de zomer bijna maandelijks werpen, met drie tot zeven jongen per worp. De jongen worden naakt en blind geboren in een aparte, korte kraamgang die de voedster zelf graaft en met aarde afsluit; zij bekleedt het nest met buikwol, opent de gang eenmaal per etmaal en sluit hem daarna weer. Na drie weken komen de jongen boven de grond. Bij gevaar trommelt een konijn met een achterpoot op de grond, waarop de kolonie de holen in vlucht. Geen winterslaap.
Waar en wanneer kijken
Het laatste uur voor zonsondergang, aan de rand van een duinvallei, een open plek in struweel of vanaf een dijk of talud, met een verrekijker op afstand: dan komen de dieren in groepen het gras op. Latrines en grondwaaiers geven ook op een middag zonder konijnen aan waar een burcht ligt. Een waarnemer die stil zit, wordt meestal binnen tien minuten genegeerd; konijnen reageren op beweging meer dan op vorm. Jongen zijn in mei het vaakst boven de grond te zien. In het matorral van Zuidwest-Spanje, onder meer in de Sierra Morena en Doñana, zijn konijnen bij zonsopgang actief; daar zijn ze de hoofdprooi van Iberische lynx en Spaanse keizerarend.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN, 2019). De IUCN beoordeelt de soort in haar natuurlijke verspreidingsgebied, het Iberisch Schiereiland en Zuid-Frankrijk. Daar zijn de aantallen sinds het midden van de twintigste eeuw met meer dan negentig procent afgenomen door twee opeenvolgende ziekten: myxomatose, die na 1952 vanuit Frankrijk naar het zuiden trok en in 1953 Spanje bereikte, en RHD (konijnenziekte) vanaf 1988, met sinds 2011 een tweede variant die ook jonge dieren doodt. Daarnaast speelden ontginning van matorral, omzetting in naaldhoutplantages en jacht een rol. In het mediterrane ecosysteem is het konijn een centrale prooisoort; de Iberische lynx en de Spaanse keizerarend kwamen beide dicht bij uitsterven toen hun belangrijkste prooi afnam. In Spanje is een groot deel van de natuurbeschermingsinspanning inmiddels gericht op het kweken en uitzetten van konijnen, en in delen van Andalusië en Extremadura is het tekort aan konijnen een beheerprobleem. Ook in de ingevoerde populaties van Noordwest-Europa hebben dezelfde ziekten grote gevolgen gehad. Myxomatose doodde in 1953 en 1954 naar schatting negenennegentig procent van de Britse konijnen en het overgrote deel van de Nederlandse; RHD volgde in Nederland vanaf 1990 en in Groot-Brittannië in de jaren negentig, met een tweede variant vanaf 2010 (Groot-Brittannië) en 2015 (Nederland). De Britse populatie is sinds het midden van de jaren negentig met ongeveer twee derde afgenomen, en de soort geldt daar nu als aandachtssoort voor bescherming. In Nederland herstellen de aantallen sinds 2010 plaatselijk, ongelijkmatig en met terugslagen. Buiten Europa is het konijn een van de ernstigste invasieve zoogdieren. In Australië, waar in 1859 twee dozijn konijnen werden losgelaten, groeide de populatie binnen vijftig jaar tot honderden miljoenen, met kaalvraat, erosie en het verdwijnen van een groot aantal inheemse planten en buideldieren als gevolg; in Nieuw-Zeeland, Chili en op meer dan achthonderd eilanden deed zich hetzelfde voor, en op eilanden behoort het konijn tot de belangrijkste oorzaken van uitsterven.
Wetenschappelijke naam
Oryctolagus cuniculus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Lepus Cuniculus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Oryctolagus is Grieks, van oryktos 'gegraven, gravend' en lagōs 'haas': de gravende haas. cuniculus is het Latijnse woord voor 'konijn' en tegelijk voor 'onderaardse gang'. De verdere herkomst is omstreden: de Romeinen namen het woord uit Spanje over, en men heeft het zowel bij een Iberisch of Keltiberisch woord als bij het Latijnse cuneus 'wig' willen onderbrengen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Duitsland.






