Alle soorten › Vleermuizen › Vleerhonden › Nijlroezet

Nijlroezet | Rousettus aegyptiacus

Egyptian fruit bat | Rousettus aegyptiacus

De nijlroezet is de enige vleerhond (familie Pteropodidae) in het gidsgebied: een vruchtenetende vleermuis die in grotten slaapt en 's nachts naar vruchtdragende bomen vliegt. Anders dan de insectenetende vleermuizen oriënteert zij zich vooral op het oog en de reuk, en in het donker met klikgeluiden die met de tong worden gemaakt, niet met het strottenhoofd. In het gidsgebied leeft de soort in Egypte, op Cyprus, aan de zuidkust van Turkije en in de Levant.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Onder de bomen waar de dieren eten liggen uitgespuugde proppen vruchtvlees: de vrucht wordt gekauwd, het sap doorgeslikt en de vezels worden als droge prop uitgespuugd. Daarbij liggen aangevreten vijgen, dadels, mispels, pruimen en andere zachte vruchten en zaden. Onder vaste eetplaatsen, vaak een boom of een overdekte plek in de buurt van de vruchtbomen, hopen zulke resten zich op. Onder de kolonie in een grot ligt een laag van brijige mest met zaden. Uit een kolonie komen ook overdag schrille kreten en gekrakeel; de dieren vechten met beten, klappen en luide kreten om hangplaatsen. De tongklikken zijn voor mensen hoorbaar.

Herkenning

Een grote vleermuis met een hondachtige kop, een lange snuit en grote, bruine ogen. De oren zijn rond en eenvoudig, zonder tragus. Zoals bij de meeste vleerhonden draagt ook de tweede vinger een klauw, naast de duim. De staart is kort, 6 tot 25 mm. De vacht is kort en zacht, in Egypte lichtbruin en op Cyprus en in Turkije grijziger; de vacht loopt door op onderarmen en poten. Kop-romplengte 138 tot 192 mm, oor 18 tot 27 mm, onderarm 82 tot 106 mm, gewicht 81 tot 171 gram, spanwijdte tot ongeveer 60 cm. De hersenen zijn groot in verhouding tot het lichaam. De soort gebruikt geen echolocatie met het strottenhoofd, zoals de insectenetende vleermuizen, maar maakt korte klikken met de tong van 140 tot 250 microseconden; daarmee kunnen de dieren draden van 6 mm dikte waarnemen, zowel in het licht als in het donker. Buiten de grot oriënteert de soort zich grotendeels op zicht.

Gelijkende soorten

In het gidsgebied komt geen andere vleerhond voor; de combinatie van hondachtige kop, grote ogen, eenvoudige ronde oren zonder tragus, een klauw aan de tweede vinger en het gewicht van ongeveer 80 tot 170 gram sluit verwarring met andere soorten uit. Grote insectenetende vleermuizen in hetzelfde gebied, zoals de Europese bulvleermuis (Tadarida teniotis) en de kaalbuikgrafvleermuis (Taphozous nudiventris), wegen 20 tot 40 gram, hebben een tragus of antitragus en kleine ogen.

Leefgebied

Van droge tot vochtige tropische gebieden, van zeeniveau tot ongeveer 4000 m. In de droge streken van Noord-Afrika en het Midden-Oosten is de verspreiding versnipperd en geconcentreerd in door mensen veranderde gebieden, waar verblijven en voedsel voorhanden zijn: boomgaarden, tuinen, parken, plantages en dorpen en steden met vruchtbomen. De dieren slapen meestal in grotten, maar ook in andere holten en spleten, waaronder graven, tempels, mijnen en tunnels. De beschikbaarheid van geschikte donkere hoeken en spleten in grotten kan de omvang van een populatie beperken.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Afrika ten zuiden van de Sahara, Egypte, het Midden-Oosten en Zuidwest-Azië tot Pakistan; er worden zes ondersoorten erkend. Binnen het gidsgebied leeft de soort in het Nijldal en de Nijldelta in Noord-Egypte, op Cyprus, aan de Middellandse Zeekust van Zuid-Turkije, in Syrië, Libanon, Israël, de Palestijnse gebieden en Jordanië. Cyprus is het enige land van de Europese Unie waar de soort voorkomt. De meeste GBIF-waarnemingen in het gidsgebied komen uit Israël, gevolgd door Jordanië, Turkije en Egypte.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief; de dieren verlaten elke nacht het verblijf om te eten, na zonsondergang, en keren voor zonsopgang terug. In de winter begint de activiteit iets later en eindigt zij iets eerder, maar er is geen winterslaap. Het voedsel bestaat vooral uit zachte vruchten van ten minste twaalf geslachten inheemse planten uit negen families, onder meer vijgen (Ficus), en daarnaast gekweekte vruchten als pruim, mispel, appel en citrus. Ook bloemen, soms bladeren en zelfs insecten worden gegeten. Volwassen dieren eten per dag 50 tot 150 % van hun eigen gewicht; zij foerageren in groepen en kunnen grote afstanden naar voedselbronnen afleggen. In het Middellandse Zeegebied volgen seizoensgebonden verplaatsingen het aanbod van vruchten. Kolonies tellen 100 tot enkele duizenden dieren, in uitzonderingen 40 000 tot 50 000, en delen het verblijf vaak met andere vleermuissoorten. In de voortplantingstijd scheiden de geslachten zich en vormen de vrouwtjes kraamkolonies. De draagtijd bedraagt in gevangenschap 105 tot 107 dagen; er wordt meestal één jong geboren, tweelingen komen geregeld voor. Het jong weegt bij de geboorte 18 tot 24 gram, opent na tien dagen de ogen, wordt 60 tot 70 dagen gezoogd en is na ongeveer negen maanden volgroeid. De dieren besteden ongeveer de helft van de nacht aan het verzorgen van vacht en vleugels.

Waar en wanneer kijken

In steden en dorpen in Israël, Cyprus en Zuid-Turkije is de soort in de schemering te zien bij rijpe vijgen-, mispel- of dadelbomen in tuinen en parken, waar de dieren landen, een vrucht plukken en wegvliegen. Uitgespuugde vezelproppen onder zo'n boom wijzen op een eetplaats die bij volgende bezoeken opnieuw kan worden gebruikt. Bij een grot met een kolonie is het uitvliegen na zonsondergang te zien en zijn de kreten en tongklikken hoorbaar zonder batdetector. Grotten met kolonies worden niet betreden. Vleerhonden worden niet met blote handen aangeraakt: bij deze soort is in Afrika ten zuiden van de Sahara het Marburgvirus aangetoond.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016), op grond van de ruime verspreiding, de grote totale populatie en het aanpassingsvermogen aan door mensen veranderde gebieden. In delen van Afrika wordt de soort voor voedsel bejaagd. In het Middellandse Zeegebied beschouwen fruittelers haar als plaag, wat heeft geleid tot het vernietigen en begassen van grotten; in sommige landen, zoals Israël, is dat beëindigd. In populaties in Afrika ten zuiden van de Sahara is de soort aangetoond als natuurlijke gastheer van het Marburgvirus. Op Cyprus valt de soort onder de Habitatrichtlijn.

Wetenschappelijke naam

Rousettus aegyptiacus | (É. Geoffroy Saint-Hilaire, 1810)

É. Geoffroy Saint-Hilaire beschreef de soort in 1810 als Pteropus Egyptiacus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Rousettus is gelatiniseerd naar het Franse roussette, sinds Buffon de gangbare naam voor de vleerhonden, bij roux 'roodbruin'. aegyptiacus is Latijn voor 'Egyptisch'; Geoffroy Saint-Hilaire beschreef het dier naar materiaal dat hij bij de piramiden van Gizeh had verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Gizeh.