Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Oostelijke rotsmuis
Oostelijke rotsmuis | Apodemus mystacinus
Broad-toothed Field Mouse | Apodemus mystacinus
De oostelijke rotsmuis is een grote, grijze muis met een zware kop en lange snorharen, die voorkomt in de bergen van Kreta, de cederbossen van Anatolië en de kalksteengebieden van de Levant. Tot 2005 werden ook de populaties op de Balkan tot deze soort gerekend; die worden sindsdien als westelijke rotsmuis afgesplitst. Het areaal omvat nu de Egeïsche eilanden, Anatolië, de Kaukasus en het Nabije Oosten.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Zoals bij de westelijke rotsmuis bevinden de sporen zich onder en tussen stenen. Hij schuilt in rotsspleten en onder blokken en maakt daar zijn nest; muren, terrasmuurtjes, steenhopen en puinhellingen onder rotswanden zijn de plekken om te zoeken. Hij laat gladgesleten doorgangen achter, en bij een vaste ingang een hoopje resten: opengeknaagde dennenzaden, eikels en johannesbrood met een rond gat, graankorrels en lege slakkenhuizen. Hij eet ook eieren en jonge vogels en komt als predator in aanmerking bij een leeggeroofd grondnest in een Kretenzische bergkloof. De keutels zijn donkere, spoelvormige korrels van 4 tot 6 mm, groter dan die van de bosmuis. Prenten in zand zijn zeldzaam, omdat hij zand mijdt; wel is soms de sprongprent te vinden in fijn stof onder een overhangende rots: vier prenten in een blok, met de achtervoeten voorop. In braakballen van kerkuil, oehoe en dwergooruil op Kreta en in Turkije valt hij op door zijn grootte.
Herkenning
Een zeer grote muis: kop-romp 9,8 tot 13,2 cm, staart 9,8 tot 14,5 cm, gewicht 25 tot 57 gram. De staart is bij 98 procent van de dieren langer dan kop en romp samen, en dat is een bruikbaar veldkenmerk. De bovenzijde is overwegend grijs, variërend van bruingrijs tot vaalgeel; de onderzijde is zuiver wit tot lichtgrijs. De kop is zwaar en breed, de oren zijn groot (17 tot 22 mm) en de snorharen zeer lang. De achtervoet is stevig en meet 24 tot 28 mm. In het veld lijkt het dier eerder op een kleine rat dan op een bosmuis.
Gelijkende soorten
Alleen de westelijke rotsmuis lijkt sterk op deze soort en is op het oog nauwelijks te onderscheiden: beide golden tot 2005 als één soort en zijn op grond van DNA-onderzoek gescheiden. De grens loopt door de Egeïsche Zee: op het vasteland van de Balkan en op de Ionische eilanden komt de westelijke soort voor, op Kreta, Rhodos, de oostelijke Egeïsche eilanden, in Anatolië, West-Georgië en de Levant deze. Zonder vindplaats is geen van beide te bepalen. Van de kleinere Apodemus-soorten is hij wel te scheiden: bosmuis, Perzische bosmuis en grote bosmuis zijn kleiner, warm bruin of geelbruin in plaats van grijs, met kortere snorharen en een lichtere kop. De zwarte rat, in het hele gebied algemeen, is groter en heeft kleine ogen in een lange kop; de rotsmuis heeft de grote, bolle ogen van een Apodemus. In Anatolië en de Levant kan een grote huismuis op afstand voor een kleine rotsmuis worden gehouden, maar die is dof grijsbruin zonder scherpe grens op de buik en heeft kleine oren.
Leefgebied
Mediterraan bos op rotsbodem: loof- en naaldbos met eik, den en ceder, gedegradeerd bos, struweel en akkerland, telkens met rotsen, blokken of muren. Hij is minder strikt aan kaal karst gebonden dan de westelijke rotsmuis en komt ook in boomgaarden en akkers voor, mits er stenen zijn om in te schuilen. Hij komt voor van zeeniveau tot 2700 meter.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Griekenland (Kreta en de oostelijke Egeïsche eilanden), Turkije, West-Georgië, West-Syrië, Libanon, Noord-Israël, Palestina, Jordanië en Noord-Irak. Van de Egeïsche eilanden zijn Rhodos en een reeks kleinere eilanden voor de kust bezet; op Kreta is hij een vaste bewoner van het berggebied. Het vasteland van de Balkan behoort sinds de splitsing van 2005 niet meer tot het areaal; daar komt de westelijke rotsmuis voor. Het Egeïsche en Anatolische deel van het areaal ligt binnen het gidsgebied; het Iraakse en Levantijnse deel ligt grotendeels aan de rand ervan. In West- en Noord-Europa komt de soort niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief en voornamelijk op de grond, al klimt hij goed in bomen; hij graaft of schuilt onder rotsen. Hij eet zaden van kruiden, dennenzaad, granen, eikels en johannesbrood, aangevuld met insecten, slakken, vogeleieren en nestjongen; het aandeel dierlijk voedsel is voor een muis groot. Hij houdt geen winterslaap. Er zijn drie of vier worpen per jaar, met een draagtijd van 23 tot 26 dagen en tot vijf jongen per worp. De actieradius is klein: gemeten is een straal van 8 tot 15 meter rond de schuilplaats. Over sociale organisatie en dichtheid is weinig bekend.
Waar en wanneer kijken
Op Kreta is mei een geschikte maand: zoek na donker met een zaklamp langs terrasmuurtjes en steenhopen van een bergdorp of langs de rand van een kloof. De soort is daar niet zeldzaam en laat zich op korte afstand bekijken. In Anatolië werkt dezelfde methode in de cederbossen van het Taurusgebergte en langs oude terrassen. Let op grootte en kop: een muis die op afstand op een jonge rat lijkt, maar van dichtbij de grote, bolle ogen van een bosmuis heeft, is deze soort. Vermeld bij het melden van een waarneming altijd de vindplaats; die bepaalt de soort, niet het beeld.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2021, een herziening van de beoordeling uit 2016). De soort is in Anatolië, op Kreta, op de oostelijke Egeïsche eilanden en in de Levant wijdverspreid en plaatselijk talrijk, leeft in een landschapstype onder weinig druk en verdraagt gedegradeerd bos en akkerland. Kleine, geïsoleerde populaties op eilanden voor de Turkse kust zijn kwetsbaar voor branden en verwilderde katten. De belangrijkste open vraag betreft de afbakening: welke eilandpopulaties tot welke van de twee rotsmuizen behoren, en hoe oud die scheiding is.
Wetenschappelijke naam
Apodemus mystacinus | (Danford & Alston, 1877)
Danford & Alston beschreef de soort in 1877 als Mus mystacinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Apodemus is Grieks, van apodēmos 'weg van huis, buitenshuis'. mystacinus is gevormd bij het Griekse mystax 'bovenlip, snor' en betekent 'gesnord', naar de opvallend lange snorharen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Turkije, Adana.






