Alle soorten › Vleermuizen › Gladneuzen › Plecotus gaisleri
Plecotus gaisleri | Plecotus gaisleri
Gaisler's Long-eared Bat | Plecotus gaisleri
Plecotus gaisleri is de grootoorvleermuis van de mediterrane zone van Noord-Afrika, van Marokko tot Noordoost-Libië, en van de eilanden Malta, Gozo en Pantelleria. Benda, Kiefer, Hanák en Veith beschreven haar in 2004 als ondersoort van P. teneriffae uit de Wadi Al Kuf in Cyrenaica; de Mammal Diversity Database voert haar als eigen soort. Onderarm 37,2 tot 40,9 mm, gewicht 5 tot 8 gram. Uiterlijk is zij niet van haar naaste verwanten te onderscheiden.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Afzonderlijke dieren verblijven in rotsspleten, grotten, kelders, ruïnes en spleten in gewelven; kleine kraamkolonies zijn gevonden in grotingangen. In de paartijd verblijven mannetjes in kleine groepjes in grotten; zwermplaatsen zijn niet beschreven. Omdat de dieren grote prooien naar een vaste zitplek brengen en daar alleen de zachte delen eten, liggen onder zo'n plek vleugels en harde delen van insecten. Op de batdetector is de roep zwak en alleen tot op geslacht te herleiden.
Herkenning
Een middelgrote grootoorvleermuis met oren van 33 tot 40 mm en een tragus van ongeveer 17 mm. De rugvacht is meestal donkerbruin, soms hazelnootbruin of donker omberkleurig, met haren van 7 tot 8 mm; de buikzijde is lichtbruin of geelachtig. Dieren uit de Maghreb zijn meestal bleker dan die uit Cyrenaica. Gezicht, vlieghuid, oren en tragus zijn donkerbruin tot donker grijsbruin. De snuit is smal, zoals bij de grijze grootoorvleermuis, en de klieren rond de mond zijn klein. De penis is knotsvormig. Chromosomen 2n = 32. De echolocatie bestaat uit zwakke, sterk gemoduleerde pulsen met de meeste energie bij ongeveer 28 tot 30 kHz en meestal een duidelijke tweede harmonische bij 50 tot 60 kHz. Volgens het handboek is de soort alleen op maten van schedel en penisbeen van haar naaste verwanten te onderscheiden, en niet op uitwendige kenmerken.
Gelijkende soorten
De naaste verwanten zijn P. teneriffae van de Canarische Eilanden en Plecotus kolombatovici van het oostelijke Middellandse-Zeegebied; de populaties van Noord-Afrika zijn achtereenvolgens bij P. auritus, P. austriacus, P. teneriffae en P. kolombatovici ingedeeld. Met die soorten deelt zij de knotsvormige penis en de donkere, smalle snuit van de grijze grootoorvleermuis (P. austriacus). Volgens de huidige indeling is P. gaisleri de enige grootoorvleermuis in de Maghreb en Cyrenaica. Op Malta, Gozo en Pantelleria, waar vroeger de grijze grootoorvleermuis werd vermeld, en op Sicilië, waar die wel voorkomt, is de soort alleen met DNA of met schedel- en penisbeenmaten te scheiden. Oostelijker, in Egypte, leeft de Noordoost-Afrikaanse grootoorvleermuis (P. christii); die is bleker, met een bijna naakt, licht gezicht, doorzichtige oren en een kortere duim (5,5–5,6 mm). De roep onderscheidt de grootoorvleermuizen van andere geslachten, maar niet van elkaar.
Leefgebied
Door de recente taxonomische veranderingen is het leefgebied weinig bekend. De soort is gevonden van zeeniveau tot 2600 m in de Hoge Atlas, maar komt vooral voor in kale savanne, woestijn en halfwoestijn, meestal in de buurt van waterlopen en oasen, en in de mediterrane zone langs de kust. In Tunesië koos zij open leefgebieden, zoals permanent water dat deels door acacia's is omgeven, in de buurt van gebouwen. Verblijven liggen in rotsen, grotten en gebouwen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De mediterrane zone van Noord-Afrika van Marokko oostwaarts tot Noord-Libië (Cyrenaica), van de noordrand van de Sahara tot de Atlantische en Middellandse-Zeekust. In 2020 is de soort met DNA vastgesteld op Pantelleria, Malta en Gozo, de eerste bevestigde vondsten in Europa. De populaties van Cyrenaica en de Maghreb verschillen genetisch; de Maghreb-populatie lijkt een apart taxon, maar is nog niet formeel beschreven. De soort wordt als monotypisch behandeld.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Het voedsel bestaat uit nachtvlinders, vliegen en kleine kevers, met een voorkeur voor vlinders. De soort jaagt dicht bij vegetatie: zij wacht op een losstaande tak en maakt korte vluchten om insecten in de vlucht of van een oppervlak te vangen, waarna zij naar de zitplek terugkeert om de prooi op te eten; vleugels en harde delen laat zij vallen. Zij is ook bij lampen en op binnenplaatsen jagend gezien. De winterslaap vindt plaats in grotten; in Tunesië is de soort in alle maanden van het jaar waargenomen. Over het jaarritme elders, verplaatsingen en levensduur zijn geen gegevens.
Waar en wanneer kijken
In Noord-Afrika zijn grotingangen, ruïnes en kelders bij oasen en waterlopen de plekken om naar grootoorvleermuizen te zoeken. Op Malta, Gozo en Pantelleria is elke grootoorvleermuis voorlopig als P. gaisleri te beschouwen, maar alleen DNA sluit andere soorten uit. Noteer de vindplaats nauwkeurig: door de taxonomische verschuivingen is elke goed gedocumenteerde waarneming een bijdrage aan de verspreidingskaart.
Staat van instandhouding
Niet beoordeeld (NE) op de mondiale Rode Lijst: de soort is door de recente taxonomische veranderingen nog niet afzonderlijk beoordeeld. Zij is volgens het handboek waarschijnlijk vrij wijdverbreid, maar kwantitatieve gegevens ontbreken; bedreigingen zijn niet bekend. De auteurs van de Europese vondsten bevelen aan de soort in de Europese faunalijsten en het beschermingsbeleid op te nemen. Op Malta valt zij als vleermuis onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn.
Wetenschappelijke naam
Plecotus gaisleri | Benda, Kiefer, Hanák, & Veith, 2004
Benda, Kiefer, Hanák, & Veith beschreef de soort in 2004 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Plecotus is Grieks, van plekein 'vlechten, in elkaar draaien' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de reusachtige oren die boven het voorhoofd aan elkaar vastzitten. gaisleri eert de Tsjechische vleermuiskenner Jiří Gaisler, wiens werk het meeste bijdroeg aan de kennis van de Noord-Afrikaanse vleermuizen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Libië, Cyrenaica.





