Alle soorten › Lipbloemigen › Byblidaceae › Byblis guehoi
Byblis guehoi
Dit is de jongste soort van het geslacht in Australië en tegelijk de meest omstreden. Byblis guehoi werd pas in 2008 beschreven, van het Dampierschiereiland in de westelijke Kimberley, en verschilt van de algemene Byblis filifolia in zaadbouw en chromosoomgetal maar nauwelijks in uiterlijk. Wat haar wél herkenbaar maakt is de groeivorm: in plaats van één rechte stengel maakt de plant een of meer liggende assen die elk eindigen in een dicht bebloemde kopscheut, zodat een goed uitgegroeid exemplaar met tien of meer scheuten tegelijk kan staan — als een kandelaar van kleefdraden op het rode pindanzand.

Herkenning
Een eenjarige met een of meer liggende hoofdassen van 15 tot 18 cm lang, die zich op willekeurige plekken vertakken en elk eindigen in een rechtopstaande, bebladerde en rijkbloemige kopscheut van 6 tot 8 cm hoog. Vaak staan er daarnaast drie of vier compacte groepjes kortgesteelde bloeischeuten. De hele plant is bedekt met een dichte laag doorschijnende lange en korte klierharen, die in de zon een waas om de plant leggen. De bladeren zijn draadvormig, 2,5 tot 3,3 cm lang, in doorsnede elliptisch — ongeveer 1 mm breed bij 0,5 mm dik — en over hun hele lengte beklierd; ze zijn korter dan de bloemstelen. De kroonbladen zijn omgekeerd eirond, 9 tot 12 mm lang, aan de bovenzijde roze-mauve en aan de onderzijde wit, met een onregelmatig gezaagde tot getande top. De helmknoppen zijn 4 tot 6 mm lang en daarmee langer dan de paarse, dicht bijeenstaande helmdraden van 1,5 tot 2 mm.
Gelijkende soorten
Het probleem van deze soort is Byblis filifolia, die in dezelfde streek staat en dezelfde bloembouw heeft, met helmknoppen langer dan de helmdraden. De verschillen zitten in het zaad en in het chromosoomgetal — B. guehoi is tetraploïd, B. filifolia diploïd — en dat zijn geen veldkenmerken. Bruikbaar in het veld zijn de liggende hoofdassen met kopvormige bloeischeuten en de korte bladeren die korter blijven dan de bloemstelen; B. filifolia groeit rechtop tot 60 cm en verhout van onderen. Byblis rorida heeft op de kelk klierborstels van 0,7 tot 1,5 mm, veel langer dan hier. Byblis liniflora is kleiner en heeft helmknoppen die kórter zijn dan de helmdraden; met die soort deelt guehoi wel het chromosoomgetal en de lange bloemstelen, wat de verwantschappen binnen het geslacht voorlopig onopgelost laat.
De val en hoe hij werkt
Een passieve lijmval, zoals overal in het geslacht. De lange gesteelde klieren dragen een heldere druppel en houden vast wat ze raken; blad en klier bewegen niet en er wordt geen prikkel verwerkt. De veel kleinere zittende klieren op de bladhuid doen het verteren: die gaan pas aan het werk als er een prooi op ligt, scheiden enzymen af en nemen de vrijgekomen stikstof en fosfor op. Bij deze soort is opvallend hoe ver de beklieving zich uitstrekt: niet alleen de bladeren maar ook de stengels, bloemstelen en kelkbladen zijn dicht bezet met lange en korte klierharen, wat de plant in tegenlicht een waas geeft en tegelijk kruipende dieren van de bloem weghoudt. De vangst bestaat vooral uit kleine vliegende insecten.
Standplaats en ecologie
Pindan: het diepe, roodachtige zand van het Dampierschiereiland, een bodem met een lage waterberging en een laag gehalte aan voedingsstoffen. De groeiplaatsen zijn in de natte tijd verzadigd of ondergelopen en drogen daarna snel en volledig uit. De soort blijkt daarbij minder kieskeurig dan gedacht: veldwerkers vonden haar in pas gebrande, kurkdroge eucalyptussavanne, in laagten die in de natte tijd onder water staan en zelfs langs permanent natte moerasjes. Wat niet ontbreekt is vol licht. In de vaste codes: seizoensdroge grond (D4) op een zandvlakte (D1) die in de moesson als kwelmoeras werkt (W3).
Verspreiding en hoogte
Het Dampierschiereiland in de westelijke Kimberley, West-Australië. De soort werd oorspronkelijk alleen van de typevindplaats bij de missiepost Beagle Bay gemeld, waar ze plaatselijk talrijk is, en latere veldwaarnemingen breidden dat uit tot het schiereiland als geheel; het herbarium noteert haar uit de regio Dampierland. Daarmee is ze endemisch voor Australië en binnen Australië beperkt tot een gebied van enkele tienduizenden vierkante kilometers. Het is een laaglandplant; een gedocumenteerde hoogtegrens ontbreekt, zodat het hoogteveld leeg blijft.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
De vertakking varieert sterk. Op de gunstigste plekken maakt een plant tien of meer scheuten tegelijk, maar veel exemplaren in het veld zijn nauwelijks of helemaal niet vertakt, zodat het kenmerk dat de soort in de beschrijving haar karakter geeft, in de praktijk wisselvallig is. Ook de bloemgrootte varieert binnen één seizoen: zolang de bodem vochtig is, zijn de bloemen groter, naarmate het droge seizoen vordert worden ze kleiner. Erkende variëteiten of kleurvormen zijn er niet en natuurlijke hybriden zijn niet bekend. Wel wordt door sommige veldkenners geopperd dat deze soort, samen met B. rorida en mogelijk B. pilbarana, opgaat in een sterk variabele B. filifolia; dat is een hypothese en geen aanvaarde indeling.
Waar en wanneer te zien
De maanden na de moesson, ruwweg april tot augustus, geven de beste kans: de planten staan dan in bloei en het pindanzand is berijdbaar. Zoek op open plekken in de eucalyptussavanne, langs zandwegen en op pas gebrande stukken, en kijk met de zon laag in de rug. Let bij een vondst op de groeivorm van de hele plant — liggende assen met kopvormige bloeischeuten — en fotografeer ook de bladdoorsnede en de kelk; alleen daarmee is een waarneming naderhand van B. filifolia te onderscheiden. Het Dampierschiereiland is grotendeels Aboriginal-land; vraag vooraf toestemming voor toegang.
Staat van instandhouding
De Rode Lijst voert de soort als kwetsbaar (Vulnerable), en het West-Australische herbarium geeft haar de hoogste aandachtscategorie voor slecht bekende taxa. De reden is niet aangetoonde achteruitgang maar de combinatie van een klein gebied, weinig bevestigde vindplaatsen en vrijwel geen gegevens over populatiegroottes. Verandering van het brandregime en aantasting van de pindanbodem door wegen, ontsluiting en begrazing zijn de voornaamste aandachtspunten, samen met het simpele feit dat een soort die zo moeilijk van haar algemene verwant te onderscheiden is, gemakkelijk over het hoofd wordt gezien bij inventarisaties.
Wetenschappelijke naam
Byblis guehoi | Lowrie & Conran, 2008
Beschreven door Allen Lowrie en John G. Conran in 2008, in het artikel "Byblis guehoi (Byblidaceae), a new species from the Kimberley, Western Australia", gepubliceerd in Telopea 12(1): 23–29. De soort is endemisch in de Kimberley-regio van West-Australië. De soortnaam guehoi eert een persoon met de achternaam Gueho; de precieze achtergrond van deze eerbetuiging kon niet met zekerheid worden achterhaald.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.