Alle soorten › Anjerachtigen › Zonnedauwfamilie › Drosera broomensis

Drosera broomensis

Een 'wollige zonnedauw' van de tropische kust. Drosera broomensis hoort bij de petiolaris-groep, de zonnedauwen van het moessongebied van Noord-Australië, en is genoemd naar de streek rond Broome aan de noordwestkust. De soort werd pas in 1996 door Allen Lowrie beschreven, hoewel er al sinds 1891 herbariumexemplaren van bestonden. Met het zuidwesten heeft hij niets te maken: de aanduiding in de basislijst is onjuist.

Drosera broomensis
Foto: Philipp Weigell in kweek — CC BY 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera broomensis — de bloem
De bloem · Foto: Denis Barthel — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons
Drosera broomensis — de val van dichtbij
De val van dichtbij · Foto: Topi Pigula — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Drosera broomensis — de standplaats
De standplaats · Foto: Denis Barthel — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een kleine, meerjarige zonnedauw met een lage, bladrijke rozet, waaruit één tot vier bloeistengels opkomen. De hele plant kan tot 30 cm hoog worden. Het belangrijkste kenmerk is de volledig kale bloeiwijze, inclusief de schacht; bij de meeste verwanten in de petiolaris-groep zijn stengel en kelk behaard. De bloemen zijn wit en verschijnen in februari en maart, laat in het natte seizoen. Zoals bij de hele groep bestaat het blad uit een smalle bladsteel met aan het eind een kleine, ronde bladschijf die tentakels draagt.

Gelijkende soorten

De naaste verwant is Drosera petiolaris, de meest verbreide soort van de groep, die van Noord-Australië tot Nieuw-Guinea voorkomt. Andere soorten van hetzelfde ondergeslacht in de Kimberley zijn onder meer D. derbyensis, D. caduca en D. brevicornis, die Lowrie in hetzelfde artikel beschreef. De kale bloeistengel is het handigste onderscheid; bij de andere soorten zijn stengel of kelkbladen met witte haren bezet.

De val en hoe hij werkt

Een actieve lijmval. De ronde bladschijfjes aan het eind van de bladstelen dragen gesteelde klieren met kleverige druppels. Een insect dat zich erop zet, blijft plakken, de tentakels buigen naar de prooi en de klieren scheiden verteringsenzymen af. In de petiolaris-groep zijn de bladschijven klein in verhouding tot de lange stelen, zodat de vallen als lepeltjes rond het hart van de rozet uitsteken.

Standplaats en ecologie

Zandige grond (FloraBase), ten noorden en noordoosten van Broome, in het open savannelandschap van de Dampierland-kust (D1, B6). Het klimaat is moessonaal: een heet, zeer nat seizoen van december tot maart en een lange droge tijd. Soorten uit deze groep overleven de droogte doorgaans met verdikte wortels en een rustende rozet, of beschermd door witte haren op de bladstelen, die de plant koel houden en uitdroging beperken.

Verspreiding en hoogte

Endemisch in het noorden van West-Australië. FloraBase noemt de bioregio's Dampierland en Great Sandy Desert; de soort groeit in het kustgebied ten noorden en noordoosten van Broome.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 8 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er zijn geen ondersoorten of variëteiten beschreven. De soort maakt deel uit van het ondergeslacht Lasiocephala, dat een veertiental soorten telt, grotendeels in Noord-Australië. Binnen die groep komen natuurlijke kruisingen voor, maar voor D. broomensis zijn die in de geraadpleegde bronnen niet vermeld.

Waar en wanneer te zien

De bloei valt in februari en maart, midden in het regenseizoen, wanneer de wegen rond Broome soms onder water staan. Daarna, aan het begin van de droge tijd, zijn de rozetten nog wel te vinden. Zoek op open, zandige plekken tussen het gras. De kale bloeistengel is met het blote oog te zien als je hem naast een behaarde verwant legt; neem voor de bladharen een loep mee.

Staat van instandhouding

Beoordeeld als niet bedreigd (LC) op de IUCN-Rode Lijst en in West-Australië als 'Not threatened'. Niet in CITES. De kustzone rond Broome staat onder druk van stadsuitbreiding en infrastructuur, maar het grootste deel van het leefgebied ligt in weinig ontwikkeld land.

Wetenschappelijke naam

Drosera broomensis | Lowrie, 1996

Beschreven door Allen Lowrie in 1996, in Nuytsia, deel 11, nr. 1, p. 55-69 — dezelfde publicatie als D. brevicornis. Eerdere exemplaren waren al vanaf 1891 verzameld, maar de soort werd pas in 1996 formeel beschreven. Zandige bodem ten noorden en noordoosten van Broome, Kimberley-regio, West-Australië. Vernoemd naar het plaatsje Broome, West-Australië, waar de soort groeit.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.