Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora arenicola

Heliamphora arenicola

De soortnaam betekent 'zandbewoner', en dat is voor dit geslacht een uitzondering. Waar de meeste tafelbergsoorten in veen en natte turf staan, groeit Heliamphora arenicola vrijwel uitsluitend in zuiver wit kwartszand of in bodems met een zeer hoog zandgehalte. Hij is bovendien geen plant van de top: de bekende groeiplaatsen liggen op de westelijke hellingen en in de uitlopers van het Ilú–Tramen-massief, onder de plateaurand.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Een kleine, gedrongen rozet van rechtopstaande bekerbladen, elk uit één blad gevormd dat tot een trechter is dichtgegroeid met een naad aan de voorkant. De bekers worden ongeveer 18 cm hoog; op de meest open, zonbeschenen plekken blijven de planten daar nog onder, en ze maken daar een verschroeide, in elkaar gedrukte indruk. De kleur is een helder geelgroen — chartreuse — dat sterk afsteekt tegen het witte zand waarin de plant staat. Bovenop de achterrand staat het nectarlepeltje, hier fel rood en opvallend klein in verhouding tot de beker; juist die verhouding is een van de kenmerken waaraan de soort is herkend. De rest van de bouw is die van het geslacht: geen brede kap boven de opening, wel een naar boven verwijdende trechter met een gladde zone onder de rand. Maten van bloemen en bloeistengel zijn voor deze soort niet in openbaar toegankelijke bronnen vastgelegd.

Gelijkende soorten

Op en rond hetzelfde massief groeien twee soorten die eerder in beeld komen. Heliamphora elongata, van Ilú-tepui zelf, heeft duidelijk langere, slankere bekers en groeit hoger op de berg. Heliamphora nutans, de soort van de Roraima-groep verderop in de oostelijke tepui-keten, is groter en donkerder van kleur. Heliamphora arenicola is van beide te onderscheiden door de combinatie van gedrongen groei, de heldere geelgroene kleur en het naar verhouding kleine rode lepeltje — en vooral door de standplaats: wie een Heliamphora in wit kwartszand op een helling ónder het plateau vindt, in plaats van in veen op de top, heeft in dit gebied vrijwel zeker deze soort voor zich. Met Sarracenia is verwarring geografisch uitgesloten.

De val en hoe hij werkt

Een bekerval van het eenvoudige, open type dat het geslacht kenmerkt. Het nectarlepeltje op de achterrand is het lokorgaan: daar wordt een nectarachtige stof afgescheiden, en het insect dat erop afkomt staat precies boven de opening. Bij deze soort is dat lepeltje klein, wat de val niet minder doeltreffend maakt maar hem wel minder opvallend. De bovenste zone van de binnenwand draagt naar beneden gerichte haren, zodat terugklimmen niet lukt; daaronder is de wand glad. De vertering wordt binnen dit geslacht grotendeels aan bacteriën in de bekervloeistof overgelaten, waarna de plant de vrijkomende voedingsstoffen opneemt. In een bodem van bijna zuiver kwartszand, waarin praktisch geen stikstof of fosfor beschikbaar is, is de val hier nog nadrukkelijker de hoofdvoorziening dan in het veen van de plateaus.

Standplaats en ecologie

Zandige, doorsijpelde plekken op de westelijke hellingen en in de uitlopers van het massief: kwelmoerassen op zand waar het water permanent uit de berg naar beneden sijpelt (W3), met als bodem zuiver wit kwartszand of zand met slechts een spoor organisch materiaal (D2). De plant staat in open, zonbeschenen plekken tussen Stegolepis en lage grassen, dus niet in beschutting. Al ligt de standplaats onder de plateaurand, het is onmiskenbaar het milieu van de tafelberg: hetzelfde uitgeloogde zandsteen, dezelfde voortdurende regen, dezelfde extreme voedselarmoede (R4). De combinatie van volle zon, eeuwig natte voet en een bodem zonder voedingsstoffen verklaart zowel het formaat van de plant als het feit dat hij hier tegenover vrijwel geen concurrentie staat.

Verspreiding en hoogte

Bekend van de westzijde van het Ilú–Tramen-massief in de Gran Sabana, deelstaat Bolívar, Venezuela — het noordelijkste massief van de oostelijke tepui-keten, vlak bij de grens met Guyana. Er zijn aanwijzingen dat de soort ook op Karaurín-tepui voorkomt, maar dat is niet met zekerheid vastgesteld. De groeiplaatsen liggen onder ongeveer 2000 m; het typemateriaal werd rond 1500 m verzameld, wat voor dit geslacht laag is. Het geslacht als geheel is beperkt tot de tafelbergen van het Guyanaschild — Venezuela, westelijk Guyana en het uiterste noorden van Brazilië. Dat deze soort juist op de flank en niet op de top groeit, maakt hem binnen dat patroon een buitenbeentje: hij bezet een milieu dat op de meeste tepui-hellingen door bos of savanne is ingenomen.

  • Inheems
Verspreiding per regio van het TDWG-schema (World Geographical Scheme for Recording Plant Distributions), uit de World Checklist of Vascular Plants — de gegevensbasis achter Plants of the World Online. De kaart toont alleen het natuurlijke areaal; waar de soort is ingeburgerd staat in de tekst. Binnen een regio zegt de kaart niets over waar de plant precies staat; bij bedreigde soorten is dat ook de bedoeling. Contouren: tdwg/wgsrpd. Voor deze soort zijn nog geen GBIF-waarnemingen opgehaald; zodra dat gebeurt vervangt die precisere laag deze regio-kaart.

Vormen en variatie

Er zijn van deze soort geen variëteiten of vormen beschreven, en evenmin natuurlijke hybriden. Dat laatste is opmerkelijk, want op nabije bergen komen wel soorten van het geslacht voor waarmee kruising denkbaar zou zijn; de scheiding in hoogte en in bodem — zand op de helling tegenover veen op de top — lijkt hier als barrière te werken. Wel is er binnen populaties variatie in formaat en in de mate waarin de beker rood aanloopt, afhankelijk van de bezonning van de plek; die variatie heeft geen taxonomische naam. De soort is pas in 2011 beschreven en het aantal onderzochte populaties is klein, zodat wilde variatie hier nog grotendeels onbeschreven terrein is. Het is heel goed mogelijk dat bij verder veldwerk op de omliggende hellingen meer verschillen aan het licht komen.

Waar en wanneer te zien

Het Ilú–Tramen-massief ligt in de Gran Sabana en wordt vanaf de Pemón-dorpen in enkele dagen te voet bereikt, met lokale gidsen; de hellingen waar deze soort staat zijn daarbij eerder onderweg dan op de top te vinden. Zoek op het zand en niet in het veen: let op open, vlakke plekken waar wit kwartszand aan de oppervlakte komt en het water er permanent doorheen sijpelt, tussen lage grassen en de stijve bladbossen van Stegolepis. De planten zijn klein en gaan tussen die vegetatie gemakkelijk verloren; het felrode lepeltje verraadt ze eerder dan de beker zelf. De bloeitijd van de soort is niet in de literatuur vastgelegd.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst, en er is geen CITES-vermelding: Heliamphora staat in geen enkele bijlage. Wat er wél over te zeggen valt, is dat het bekende areaal zeer klein is — in feite één berghelling, met een onbevestigde tweede vindplaats — en dat de soort bovendien aan een bijzonder en plaatselijk substraat is gebonden, wat het areaal nog verder versnippert. Daar staat tegenover dat het gebied deel uitmaakt van een nationaal park, dat de hellingen alleen te voet en met gids bereikbaar zijn, en dat er geen aanwijzing is voor achteruitgang. Verzameling voor de handel is het risico dat voor het geslacht wordt genoemd; het materiaal in kweek komt inmiddels vrijwel uitsluitend uit zaad en weefselkweek. Dat een formele beoordeling ontbreekt, komt door de jonge naam en het geringe veldonderzoek: het is een leemte, geen vastgestelde afname.

Wetenschappelijke naam

Heliamphora arenicola | Wistuba, Fleischmann, Nerz & McPherson, 2011

Beschreven door Andreas Wistuba, Andreas Fleischmann, Joachim Nerz en Stewart McPherson in 2011, in het boek “Sarraceniaceae of South America” (Redfern Natural History Productions, Poole). Het typegebied ligt aan de westzijde van het Ilú-Tramen-massief in de Gran Sabana van Venezuela, op hoogtes tot 2000 meter. De soortnaam arenicola is samengesteld uit het Latijnse arena ("zand") en -cola ("bewoner van") en verwijst naar de zandige groeiplaats van de soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.