Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora chimantensis
Heliamphora chimantensis
Het Chimantá-massief is geen enkele tafelberg maar een cluster van een stuk of tien plateaus die door diepe kloven van elkaar zijn gescheiden. Heliamphora chimantensis werd daar pas in 2001 gevonden en een jaar later beschreven — dat een bekerplant van dertig centimeter zo lang onopgemerkt kon blijven, zegt vooral iets over hoe weinig van dit landschap ooit te voet is bekeken. Het is bovendien de enige grote soort van het geslacht op dit massief, en daarmee op de plateaus van het Chimantá een plant die men niet over het hoofd ziet.

Herkenning
Een forse rozet van rechtopstaande bekers van 20 tot 35 cm lang, in het bovenste deel 3,5 tot 5 cm breed. De beker is onderaan trechtervormig, halverwege iets buikig en daarboven cilindrisch tot licht trechtervormig. De kleur is een opvallend combinatie: de beker zelf blijft geheel groen, terwijl het nectarlepeltje diep rood is en van een afstand als een donkere stip boven elk blad staat. Dat lepeltje is lepel- tot helmvormig, 2 tot 2,5 cm lang en 1 tot 2 cm breed, met twee zijdelings samengedrukte lobben die elkaar aan de voorkant bijna raken; aan de binnenzijde zitten grillige klierplekken tot 5 mm groot. De bloeistengel is 60 tot 65 cm lang en draagt drie tot vijf bloemen aan stelen van 5 tot 13 cm. De tepalen zijn lancetvormig, 4,5 tot 5,5 cm lang en 1,2 tot 1,7 cm breed, wit tot wittig roze.
Gelijkende soorten
De beslissende kenmerken zitten in de bloem. Deze soort heeft ongeveer twintig meeldraden, terwijl de soorten van de noordelijke Gran Sabana er tien tot vijftien hebben; de helmknoppen zijn bovendien kort, ongeveer 5 mm, tegen 7 tot 9 mm bij de twee verwanten met een vergelijkbaar aantal meeldraden, Heliamphora tatei en Heliamphora neblinae. Die twee groeien honderden kilometers westelijker. Op het Chimantá-massief zelf is verwarring vooral mogelijk met Heliamphora pulchella, maar die is veel kleiner, heeft een dicht behaarde bekerbinnenkant en een lepeltje dat breed aan de beker vastzit. Zonder bloem helpt de kleurcombinatie: groene beker, rood lepeltje.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil waarin de plant het vertereren grotendeels uitbesteedt. Verteringsenzymen worden nauwelijks of niet aangemaakt; bacteriën in de bekervloeistof breken de prooi af en de plant neemt op wat vrijkomt. Het rode nectarlepeltje is het lokorgaan en tegelijk de landingsplaats: het scheidt nectar af, precies boven de opening van de beker. Daaronder ligt een gladde zone en een zone met naar beneden gerichte haren, zodat een insect dat de greep verliest niet terug omhoog komt. De grote klierplekken aan de binnenkant van het lepeltje zijn bij deze soort bijzonder opvallend. Door het formaat van de beker gaat het om een val met een aanzienlijk vloeistofvolume; een afwateringsopening in de wand voorkomt dat die bij de vrijwel dagelijkse regen overstroomt en zijn vangst kwijtraakt. De prooi bestaat overwegend uit mieren en andere kleine, lopende insecten.
Standplaats en ecologie
De hoogplateaus van het massief (R4), en daarbinnen vooral de vlakke dalen en laagten waar zich turf verzamelt en het water blijft staan (W6). De planten groeien er tussen lage vegetatie van grassen, bromelia's, Xyris en Stegolepis, en vormen matten die meerdere meters breed kunnen worden. Het substraat is een zure, doorweekte turflaag op zandsteen, extreem arm aan stikstof en fosfor en voortdurend uitgespoeld door regen. Het klimaat op die hoogte is koel en vrijwel permanent vochtig: wolken hangen een groot deel van de dag op het plateau.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op het Chimantá-massief in de deelstaat Bolívar, Venezuela, met groeiplaatsen op het centraal-oostelijke deel, waaronder Apacará-tepui, Chimantá-tepui en Toronó-tepui. De opgegeven hoogten liggen tussen ongeveer 1900 en 2100 m. Buiten het massief is de soort niet aangetroffen. Dat past in het patroon van het hele geslacht: de plateaus van het Guyanaschild staan voor een moerasplant even ver uit elkaar als eilanden in zee, en elk massief heeft daardoor zijn eigen soorten.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Binnen de soort zijn geen variëteiten of ondersoorten beschreven. De variatie die opvalt is de kleurintensiteit van het nectarlepeltje en de mate waarin oudere bekers roodbruin verkleuren; dat verschilt van plek tot plek met de lichtinval en heeft geen taxonomische naam. Natuurlijke hybriden zijn van deze soort niet formeel beschreven, hoewel er op het massief een tweede soort van het geslacht groeit en hybridisatie binnen Heliamphora op andere bergen wel degelijk voorkomt. Cultivars blijven hier buiten beschouwing: wat in kweek onder fantasienamen circuleert, zegt niets over de wilde planten.
Waar en wanneer te zien
Het massief is alleen per helikopter of via een lange tocht bereikbaar en ligt in het Nationaal Park Canaima; bezoek gaat in de praktijk met vergunning en gids. Wie boven staat, zoekt niet op de kale zandsteenruggen maar in de vlakke, natte dalen: daar staan de matten, vaak over grote oppervlakten aaneengesloten. Het snelste herkenningspunt op afstand is het kleurverschil tussen blad en lepeltje — een groen veld met rode stippen erboven. De bloeitijd is niet in de literatuur vastgelegd; op de plateaus worden gedurende het hele jaar bloeiende planten gemeld.
Staat van instandhouding
Niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst, en niet vermeld in enige CITES-bijlage. Wat vaststaat is dat de soort beperkt is tot één bergmassief, wat haar per definitie kwetsbaar maakt voor alles wat dat massief treft. Daar staat tegenover dat het leefgebied binnen een nationaal park en werelderfgoedgebied ligt, dat de plateaus niet zonder vergunning toegankelijk zijn en dat de bekende populaties omvangrijk zijn — matten van meters breed duiden niet op een kwijnende soort. Verzameling voor de handel geldt als het voornaamste risico voor het geslacht, maar de planten in kweek komen inmiddels vrijwel uitsluitend uit zaad en weefselkweek. Het ontbreken van een beoordeling weerspiegelt hier vooral hoe recent en hoe slecht bereikbaar de soort is.
Wetenschappelijke naam
Heliamphora chimantensis | Wistuba, Carow & Harbarth, 2002
Beschreven door Andreas Wistuba, Bernd Carow en Ulrike Harbarth in 2002, in Carnivorous Plant Newsletter 31(3): 78–82. Het typegebied ligt op het Chimantá-massief in het zuidoosten van Venezuela, met vindplaatsen op de tepuis Apacará en Chimantá. De soortnaam chimantensis verwijst rechtstreeks naar het Chimantá-massief, waar de soort endemisch is.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.