Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora glabra
Heliamphora glabra
In de oostelijke tafelbergen, rond het drielandenpunt van Venezuela, Guyana en Brazilië, staat een Heliamphora die lang voor een variëteit van een andere soort doorging. Maguire beschreef hem in 1978 als Heliamphora heterodoxa var. glabra; pas in 2006 kreeg hij door Nerz, Wistuba en Hoogenstrijd de rang van soort. De naam betekent kaal, en daar draait de determinatie ook om.

Herkenning
Een rozet van rechtopstaande bekerbladen, elk gevormd uit één blad dat tot een trechter is dichtgegroeid met een naad aan de voorkant. Het kenmerk dat de soortnaam heeft opgeleverd is de kaalheid: waar verwante soorten van de oostelijke tepui's een duidelijk behaarde bekerbinnenkant hebben, is die hier grotendeels onbehaard, op de zone met vangharen onder de rand na. Bovenop de achterrand staat het nectarlepeltje, het kleine kapvormige orgaan dat bij dit geslacht de plaats inneemt van de brede kap van Sarracenia. Bij metingen van ultraviolette fluorescentie binnen het geslacht bleek dat bij deze soort vrijwel alleen dat lepeltje oplicht en de rest van de beker niet — een aanwijzing dat het lokwerk hier sterk op dat ene punt is geconcentreerd. De bekerkleur loopt van groen naar roodachtig naarmate de standplaats opener is. Maten van beker, bloeistengel en bloemdelen zijn voor deze soort niet in toegankelijke literatuur vastgelegd en blijven hier daarom leeg.
Gelijkende soorten
De belangrijkste verwarring is met Heliamphora heterodoxa, de soort waar deze plant ruim een kwart eeuw als variëteit onder viel. Het onderscheid is precies wat de naam zegt: de bekerbinnenkant is bij glabra kaal, bij heterodoxa duidelijk behaard. Dat is in het veld met een loep te zien en bij twijfel doorslaggevend. Op de Roraima-groep zelf staat ook Heliamphora nutans, die grotere, sterker knikkende bekers heeft en een anders gevormd nectarlepeltje. Omdat glabra over een hoogtebereik van ruim anderhalve kilometer voorkomt, kun je niet op grootte afgaan: planten van de laagste groeiplaatsen en planten van de hoogste verschillen sterk van elkaar. Met Sarracenia is verwarring geografisch uitgesloten.
De val en hoe hij werkt
Een bekerval, en zoals overal in dit geslacht een val die het verteren goeddeels aan anderen overlaat. De plant maakt zelf nauwelijks tot geen verteringsenzymen; bacteriën in de bekervloeistof breken de prooi af en de plant neemt daarna de vrijgekomen stikstof en fosfor op. Het nectarlepeltje aan de achterrand scheidt nectar af en trekt insecten precies naar de rand van de opening. De bovenste zone van de binnenwand draagt naar beneden gerichte haren, zodat terugklimmen onmogelijk is; daaronder is de wand glad. Een afwateringsopening in de wand zorgt dat de val bij aanhoudende regen niet overloopt en de vangst wegspoelt. Dat de rest van de beker bij deze soort niet fluoresceert maakt het nectarlepeltje des te meer het enige signaalpunt.
Standplaats en ecologie
De toppen en hoogplateaus van de oostelijke tafelbergen (R4), waar de bodem vrijwel ontbreekt en zure turf met veenmos zich alleen in laagten en spleten verzamelt (W1). Daarnaast groeit de soort op natte rotswanden en hellingen die permanent door sijpelwater worden natgehouden (R1). Het hoogtebereik is voor het geslacht opvallend groot: van ongeveer 1200 m tot rond 2750 m. Op die bovenste grens, op de hoogste hellingen, blijven de planten opvallend klein en gedrongen — dat zijn de meest extreme standplaatsen die van de soort bekend zijn. Het klimaat is over dat hele bereik koel tot koud, vrijwel permanent vochtig en met wolken die de bergen een groot deel van de dag afdekken. Het substraat is overal extreem arm aan voedingsstoffen, en regen spoelt het weinige aanwezige voortdurend weg.
Verspreiding en hoogte
Anders dan de meeste soortgenoten is deze soort niet tot één tafelberg beperkt. De bekende groeiplaatsen liggen verspreid over de oostelijke tepui's rond het grensgebied van Venezuela, Brazilië en Guyana — onder meer op de Roraima, op Wei Assipu-tepui, op Serra do Sol en op Maringma-tepui — tussen ongeveer 1200 en 2750 m. Wereldwijde checklists geven Venezuela en Noord-Brazilië (deelstaat Roraima) als verspreidingsgebied; de soort wordt in Brazilië niet als endemisch beschouwd. Precieze vindplaatsen blijven hier buiten beschouwing. Het geslacht als geheel is beperkt tot de tafelbergen van het Guyanaschild, en juist deze soort laat zien dat die eilanden af en toe wél met elkaar in verbinding hebben gestaan: een aaneengesloten groep bergen kan één soort delen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
De taxonomische geschiedenis van de soort is er zelf een van vormen: hij is beschreven als variëteit van Heliamphora heterodoxa en is ook nog als forma gevoerd voordat hij in 2006 soort werd. Op dit moment worden binnen glabra geen variëteiten onderscheiden. Wat er wel is, is niet-benoemde variatie over het hoogtebereik: op de hoogste hellingen blijven de planten klein en gedrongen, lager zijn ze fors, en de kleur loopt van groen in de beschutting tot roodachtig op open standplaatsen. Binnen het geslacht zijn natuurlijke hybriden geregeld gemeld waar twee soorten naast elkaar groeien; voor deze soort is in toegankelijke literatuur geen benoemde natuurlijke hybride vastgelegd, wat niet hetzelfde is als de zekerheid dat er geen zijn.
Waar en wanneer te zien
De bergen waar deze soort op staat horen bij de best bereikbare van het gebied — de Roraima heeft een gebaande route — maar je komt er niet zonder vergunning en in de praktijk niet zonder gids, en de tocht duurt dagen. Boven gekomen loont het om de loep bij de hand te houden: het verschil met de behaarde verwant zit binnenin de beker en is met het blote oog lastig te beoordelen. Zoek op twee plekken: in de natte laagten van het plateau en aan de voet van rotswanden waar water blijft sijpelen. Houd er rekening mee dat planten van hoge en lage standplaatsen er heel verschillend uitzien; laat je niet door formaat op het verkeerde been zetten. Blijf op de gebaande delen — de vegetatie op deze toppen herstelt uiterst traag.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst, en er is geen CITES-vermelding: Heliamphora staat in geen enkele bijlage. Wat er wél over te zeggen valt: van alle soorten in dit geslacht heeft deze een van de ruimere verspreidingen, over meerdere bergen en drie landen, en over een hoogtebereik van ruim anderhalve kilometer. Dat maakt hem minder kwetsbaar dan de soorten die van één plateau afhankelijk zijn. Daar staat tegenover dat de meest bezochte berg van het gebied tot zijn areaal behoort, en dat toerisme op een tepui-top schade doet die zich nauwelijks herstelt. Het leefgebied valt grotendeels binnen beschermde gebieden. Verzameling voor de handel wordt voor het geslacht standaard als risico genoemd, maar het kweekmateriaal komt inmiddels vrijwel uitsluitend uit zaad en weefselkweek. Het ontbreken van een beoordeling is hier een leemte, geen vastgestelde achteruitgang.
Wetenschappelijke naam
Heliamphora glabra | (Maguire) Nerz, Wistuba & Hoogenstrijd, 2006
Oorspronkelijk beschreven onder een ander taxon door Bassett Maguire; in 2006 door Joachim Nerz, Andreas Wistuba en Peter Hoogenstrijd als eigen soort Heliamphora glabra gepubliceerd, in Das Taublatt 54: 58–70. Het typegebied ligt op de Serra do Sol in Venezuela. De soortnaam glabra is Latijn voor "kaal, onbehaard" en verwijst naar het gladde, haarloze oppervlak van de plant — een tegenpool van de dicht behaarde H. hispida.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.