Alle soorten › Heideachtigen › Trompetbekerplantfamilie › Heliamphora neblinae

Heliamphora neblinae

Dit is de soort met de langste bekers van het hele geslacht: planten met bladen van veertig, vijftig en bij uitzondering ruim zestig centimeter zijn op het Neblina-massief geen uitzondering. Heliamphora neblinae groeit op de tafelbergen van dat massief, op de grens van Venezuela en Brazilië, en heeft bovendien het grootste hoogtebereik van het geslacht — van bijna in het laagland tot hoog op de plateaus.

Van deze soort staat nog geen foto met een Creative Commons-licentie of uit het publiek domein in de gids.

Herkenning

Forse, rechtopstaande bekerbladen, elk uit één blad gevormd dat tot een trechter is dichtgegroeid met een naad aan de voorkant. De bekers worden meestal 35 tot 45 cm, niet zelden 50 tot 60, en zijn daarmee de langste van het geslacht. Kenmerkend is een gladde, felrode streep die over de achterwand van de binnenkant naar beneden loopt en scherp aftekent tegen de rest van het blad. De planten zijn traag: het duurt jaren voor een rozet op volle grootte is, en oudere exemplaren bouwen een korte stengel op waarlangs de rozet zich langzaam omhoog werkt, zodat de plant met de tijd boven zijn eigen dode bladen uit komt te staan. Bovenop de achterrand staat, zoals bij het hele geslacht, het nectarlepeltje. De soort is binnen zijn areaal bijzonder variabel in formaat en kleur, wat de determinatie van afzonderlijke planten bemoeilijkt.

Gelijkende soorten

Op hetzelfde massief staan drie soorten waarmee verwarring speelt. Heliamphora parva haalt hooguit 35 cm, is geler en aan de buitenkant dicht kort behaard. Heliamphora ceracea, van de Braziliaanse hellingen, is 20 tot 30 cm, smaller en buisvormig, en heeft een wasachtige, kale binnenwand met grote onregelmatige klierplekken. Heliamphora hispida draagt lange stijve haren aan de binnenzijde van de beker. Het formaat alleen is vaak al beslissend: loopt de beker door tot kniehoogte of hoger, dan komt op dit massief alleen H. neblinae in aanmerking, en de rode streep op de achterwand bevestigt dat. Verder weg lijkt Heliamphora tatei, van Cerro Duida en omgeving, er sterk op — die twee zijn lang als één soort behandeld — maar hun arealen raken elkaar niet.

De val en hoe hij werkt

Een bekerval van het open type: geen deksel, alleen het nectarlepeltje op de achterrand als lokorgaan. De bovenste zone van de binnenwand draagt naar beneden gerichte haren, zodat een insect dat naar binnen glijdt niet terug omhoog kan lopen. Wat deze groep binnen het geslacht apart zet, is de vertering. De meeste Heliamphora-soorten laten het afbreken van de prooi aan bacteriën in de bekervloeistof over, maar bij de nauw verwante Heliamphora tatei is aangetoond dat de plant zelf eiwitsplitsende enzymen afscheidt en bovendien wasschubben vormt die de vangst ondersteunen. De grote bekers van H. neblinae houden daarbij veel water vast, wat de plant op deze hellingen door drogere periodes heen helpt. Het geheel is dus een val die zowel ruimer bemeten als zelfstandiger is dan het gemiddelde in dit geslacht.

Standplaats en ecologie

Het Neblina-massief in de volle breedte: van natte plateaus met veenmos en zure turf op kaal zandsteen (R4, W1) tot open, natte bergweiden en moerassige laagten lager op de hellingen (W6). Het hoogtebereik loopt van ongeveer 860 tot 2200 m — de laagste groeiplaats die van het hele geslacht bekend is. De bodem is overal extreem arm aan stikstof en fosfor en wordt door de vrijwel permanente regen uitgespoeld, het klimaat is koel en vochtig en de wolken liggen een groot deel van de dag op de bergen. Dat de soort over dat hele bereik voorkomt, verklaart mede haar variabiliteit: de planten op de hoge plateaus staan in een ander licht, een andere temperatuur en een ander substraat dan die van de lage hellingen, en zien er ook anders uit.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op het Neblina-massief en de aangrenzende toppen: Cerro de la Neblina, Cerro Aracamuni en Cerro Avispa, in de Venezolaanse deelstaat Amazonas en, aan de zuidzijde van het massief, in de Braziliaanse deelstaat Amazonas. Binnen die drie bergen is de soort wijdverbreid, wat haar naar de maatstaven van dit geslacht bijna ruim verspreid maakt: meer dan de helft van de Heliamphora-soorten staat op één enkele berg. Het geslacht als geheel is beperkt tot de tafelbergen van het Guyanaschild — Venezuela, westelijk Guyana en het uiterste noorden van Brazilië. Het Neblina-massief is daarbinnen het hoogste en meest afgelegen complex, en herbergt meer soorten van het geslacht dan de meeste andere bergen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

De naamgeschiedenis is rommelig en nog niet helemaal uitgekristalliseerd. Maguire beschreef de soort in 1978; in 1984 werd zij door Steyermark teruggebracht tot Heliamphora tatei var. neblinae, een behandeling die daarna jarenlang werd gevolgd, onder meer in het bloembiologische werk aan H. tatei op Cerro de la Neblina uit 1989. McPherson (2007) en de monografie van 2011 herstellen haar als eigen soort, en POWO volgt dat; de GBIF-ruggengraat houdt op dit moment nog de variëteit aan. Beide namen zijn dus in omloop. Binnen de soort is de wilde variatie groot — formaat, kleur en beharing verschillen sterk per berg en per hoogte — zonder dat daar variëteiten voor zijn onderscheiden. De planten die als H. tatei f. macdonaldae bekendstaan, worden door sommige auteurs eveneens als eigen soort gezien. Op het massief zijn natuurlijke hybriden en hybridezwermen met andere soorten van het geslacht beschreven.

Waar en wanneer te zien

Het Neblina-massief ligt in beschermd gebied aan weerszijden van de grens, deels in inheems gebied, en is alleen per helikopter of via een expeditie van weken te bereiken; bezoek gaat met vergunning en met gidsen. Wie boven komt, hoeft naar deze soort niet lang te zoeken: het formaat maakt haar op de natte, open delen een van de opvallendste planten van de berg. Let op de binnenkant van de achterwand — de gladde rode streep is het snelste kenmerk — en laat je niet misleiden door de sterke variatie: een kleine plant op dit massief is eerder een jong exemplaar of een andere soort dan een afwijkende H. neblinae. De bloeitijd van de soort is niet in de literatuur vastgelegd.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de IUCN-Rode Lijst, en er is geen CITES-vermelding: Heliamphora staat in geen enkele bijlage. Wat er wél over te zeggen valt, is gunstiger dan bij de meeste soorten van het geslacht: zij komt op drie bergen voor, is daarbinnen wijdverbreid en bestrijkt een groot hoogtebereik, wat haar minder kwetsbaar maakt dan een soort van één plateau. Het gebied is bovendien aan beide zijden van de grens beschermd en behoort tot de moeilijkst bereikbare hoeken van Zuid-Amerika. Verzameling voor de handel is het risico dat voor het geslacht wordt genoemd; het materiaal in kweek komt inmiddels vrijwel uitsluitend uit zaad en weefselkweek. Dat een formele beoordeling ontbreekt, hangt hier samen met de onrustige naamgeving — onder twee namen is een soort lastig te beoordelen — en met het geringe veldwerk. Het is een leemte, geen vastgestelde achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Heliamphora neblinae | Maguire, 1978

Beschreven door Bassett Maguire in 1978, in “The Botany of the Guyana Highland Part–X”, Memoirs of the New York Botanical Garden 29: 36–61. De soort is endemisch op drie bergen in Venezuela: Cerro de la Neblina, Cerro Aracamuni en Cerro Avispa. De soortnaam neblinae verwijst naar de typelocatie Cerro de la Neblina ("mistberg"), de hoogste top van het Guyana-hoogland.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.