Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula conzattii
Pinguicula conzattii
Een vetblad van de nevelwouden van de Mixteca in Oaxaca, dat twee keer per jaar van gedaante verandert: in de regentijd een brede, handpalmgrote rozet van dunne vangbladen, in de droge tijd een kussentje van nauwelijks twee centimeter dat je zonder bloemen gegarandeerd over het hoofd ziet. Juist in die kleine wintergestalte bloeit Pinguicula conzattii, en het zijn die bloemen die hem verraden op de druipende kalkrotsen langs de weg van Santo Tomás Ocotepec naar Santiago Nuyoo.

Herkenning
Een soort met twee bladtypen. De zomerrozet meet 6 tot 12 cm in doorsnede en bestaat uit dunne, membraanachtige bladeren van 28 tot 50 mm lang en 25 tot 48 mm breed, die vlak op de rots liggen en met klierdruppels bezet zijn. De winterrozet is een compact kussentje van slechts 10 tot 20 mm doorsnede, opgebouwd uit kleine, dicht opeengepakte blaadjes van 5 tot 10 mm lang en 2 tot 4 mm breed; die zijn aan beide zijden behaard, een kenmerk waarop de soort bij de beschrijving nadrukkelijk werd onderscheiden. Per bloeiseizoen verschijnen één tot zes bloemstelen van 70 tot 170 mm hoog. De bloem is wit tot violet getint, 18 tot 30 mm lang inclusief het spoor, met slippen van 5 tot 10 mm lang, en het spoor is 3 tot 6 mm lang en staat in een stompe hoek op de bloembuis. Bloeitijd september tot eind februari.
Gelijkende soorten
De nauwste verwant is Pinguicula mirandae uit het Tehuacán-Cuicatlán-gebied; beide horen bij de sectie Heterophyllum en hebben een geknikte bloembuis en een winterrozet van talrijke kleine blaadjes. P. mirandae staat echter veel lager, in droog tropisch loofbos rond 1250 tot 1800 m, heeft een kleinere bloem van 9 tot 17 mm en een korter spoor, en zijn winterblaadjes zijn kaal. De behaarde boven- én onderzijde van de winterblaadjes van P. conzattii is in het veld met een loep het snelste onderscheid. Grootbloemige soorten uit de sectie Orcheosanthus, zoals P. moranensis, hebben een fors langer spoor en een rozet zonder dat compacte winterkussen.
De val en hoe hij werkt
De vangst gebeurt met de dunne zomerbladeren. Hun bovenzijde draagt gesteelde klieren met een heldere kleefdruppel en daartussen zittende klieren die pas verteringsvocht afgeven zodra een prooi op het blad ligt. Kleine vliegjes die op de glinstering afkomen, raken in de druppels vast; hun bewegingen brengen steeds meer klieren in contact en zetten een trage buiging van de bladrand in gang, zodat het verteringsvocht in een ondiep kuiltje blijft staan. Op een natte rotswand in het nevelwoud is het aanbod groot: dansmuggen, zweefvliegjes, vliegende mieren en bladluizen. Opvallend is dat de plant in de droge tijd niet vangt — de winterrozet heeft nauwelijks klieren en leeft van wat in de regentijd is opgeslagen.
Standplaats en ecologie
Natte kalkrotsen in het bosque mesófilo de montaña, het nevelwoud van de bergen van de Mixteca, op ongeveer 2400 m hoogte, in gezelschap van Chiranthodendron, Cercocarpus, Buddleia en eiken. De planten zitten in de spleten en op de mosbezette richels van rotswanden waarover in de regentijd voortdurend water sijpelt (R1, R2), doorgaans op noordhellingen waar de nevel het langst blijft hangen. Dat de soort in kweek ook op zure grond goed gedijt, wijst erop dat zij niet strikt aan kalk gebonden is en mogelijk ook op zandsteen of stollingsgesteente te vinden zou zijn; in het veld is zij vooralsnog van kalksteen bekend.
Verspreiding en hoogte
Endemisch in de staat Oaxaca, in het district Tlaxiaco in het westen van de staat, tussen Santo Tomás Ocotepec en Santiago Nuyoo. Het bekende areaal is zeer klein — een kwestie van enkele bergruggen — en de soort is pas in 2003 beschreven, wat wil zeggen dat het beeld van de verspreiding nog onvolledig kan zijn. De Mixteca Alta is botanisch slecht doorzocht en herbergt meer vetbladen met een minuscuul areaal, zodat verdere vondsten in aangrenzende districten niet uitgesloten zijn. Buiten Oaxaca is de soort niet aangetroffen.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten in het wild beschreven. De soort is bekend uit een handvol dicht bijeen liggende vindplaatsen in hetzelfde bergmassief, en die bieden weinig milieuverschil waaraan vormen zich zouden kunnen hechten. Wat varieert, is vooral de bloemkleur, die van zuiver wit tot duidelijk violet getint loopt, en de grootte van de zomerrozet, die in een natte spleet groter uitvalt dan op een geëxponeerde richel. Voor de gids is dat variatie binnen één soort, geen aanleiding tot benoemde vormen. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld; er groeien geen nauwe verwanten in de directe omgeving.
Waar en wanneer te zien
Ga tussen november en februari, midden in de droge tijd: dan is de plant klein en onopvallend, maar staat hij volop in bloei, en de witte bloemen op hun lange stelen zijn veel makkelijker te vinden dan de rozetten zelf. Zoek op de noord geëxponeerde kalkwanden langs de bergwegen in het nevelwoud, op ooghoogte en hoger: de planten zitten graag op smalle, mosbezette richels net buiten bereik. Een loep is hier geen luxe — de behaarde winterblaadjes zijn een determinatiekenmerk dat je met het blote oog mist. In de regentijd is de soort makkelijker te zien maar lastiger te benoemen, omdat de bloei dan voorbij is.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is, past in een patroon dat bij veel Mexicaanse vetbladen terugkeert: een zeer klein areaal, een handvol populaties, en een standplaats — natte rotswanden langs bergwegen — die kwetsbaar is voor wegverbreding, begreppeling en het afgraven van bermen. Daarbij komt de achteruitgang van het nevelwoud van de Mixteca zelf, waar bosomzetting en houtkap het microklimaat van vochtige rotswanden uitdrogen. Illegaal verzamelen voor de plantenhandel speelt bij recent beschreven Mexicaanse Pinguicula eveneens een rol. Een formele beoordeling ontbreekt dus, maar de gegevens die er zijn wijzen op een soort met weinig marge.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula conzattii | Zamudio & van Marm, 2003
Beschreven door Sergio Zamudio en Dick van Marm in 2003. Het typegebied ligt bij Santiago Nuyoo, in het district Tlaxiaco in de Mexicaanse deelstaat Oaxaca, waar de soort groeit op beschaduwde verticale rotswanden op ongeveer 2700 meter hoogte. De soortnaam conzattii eert Cassiano Conzatti, een in Italië geboren botanicus die het grootste deel van zijn leven in Mexico doorbracht.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.