Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula corsica
Pinguicula corsica
Corsica heeft één eigen vetblad, en dat groeit precies daar waar het eiland het minst op de Middellandse Zee lijkt: in de pozzines, de drassige alpenweitjes rond de bergmeren, en langs de bovenloop van de bergbeken. Pinguicula corsica is klein, geelgroen en bloeit laat — pas als de hitte in het dal ondraaglijk is geworden, staat hij hierboven in bloei.




Herkenning
Een vlakke rozet van eivormige tot langwerpige, gaafrandige bladeren die lichtgroen tot geelachtig zijn en waarvan de rand licht naar boven is gekruld. Het bladoppervlak is dicht bezet met klieren en voelt vettig en kleverig aan; de rozetten worden pas laat in het voorjaar aangelegd en blijven tot in de herfst staan. Uit het hart komen dunne, kale bloemstelen met elk één bloem. De kroon is klein, ongeveer tien tot twaalf millimeter, tweelippig, bleek lila tot lichtviolet en bij sommige planten vrijwel wit; de keel is lichter gekleurd. De spoor is kort, vier tot vijf millimeter, en steekt recht naar achteren. De bloei valt laat, van juni tot in september, en loopt met de zomer mee naar boven.
Gelijkende soorten
Op Corsica zelf is er niets om mee te verwarren: dit is de enige Pinguicula van het eiland. Wie hem vergelijkt met de vastelandssoorten merkt dat hij kleiner is dan P. vulgaris en dat de bloem lichter en bleker is dan bij P. leptoceras, waarvan de kroon donker blauwviolet is en met spoor anderhalf tot drie centimeter meet. De korte spoor van vier tot vijf millimeter sluit de langgespoorde mediterrane soorten van het type P. hirtiflora uit. Buiten de bloei is de combinatie van geelgroene, kleine rozetten in een drassig bergweitje op Corsica al voldoende.
De val en hoe hij werkt
Lijm zonder haast. De bovenkant van het blad draagt duizenden gesteelde klieren met een kleverige druppel en daartussen zittende klieren die pas verteringsenzymen leveren als er iets op ligt. Een mug of vliegje dat neerstrijkt blijft plakken; het spartelen verspreidt het slijm en brengt meer klieren in contact met de prooi. In de dagen erna rolt de bladrand zich traag naar de prooi toe, waardoor het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan. In de pozzines, waar de lucht boven het natte veen 's ochtends vol muggen hangt, is de aanvoer ruim, en een oud blad ligt tegen de herfst vol zwarte insectenrestjes.
Standplaats en ecologie
De drassige, kortgrazige weitjes rond de Corsicaanse bergmeren en de randen van bergbeken en bronnen, op hoogten tussen ruwweg elfhonderd en tweeduizend meter. Dit zijn de pozzines: een dichte, veenachtige zode op een ondergrond die door smeltwater en kwel het hele seizoen nat blijft, met lage zeggen, veldrus en mossen. Anders dan de meeste vetbladen in deze gids is dit geen kalkplant — het gesteente van het Corsicaanse hooggebergte is overwegend graniet — en het water is zacht en zuur. De standplaatsen zijn zonnig en open; beschaduwing of verruiging verdraagt de soort niet.
Verspreiding en hoogte
Alleen Corsica, en daar alleen het bergland. De soort is een strikte eilandendemeet: het volledige wereldareaal ligt binnen het centrale massief van het eiland, van de omgeving van de grote bergmeren tot de hooggelegen beekdalen. Op het vasteland van Frankrijk en in Italië komt hij niet voor, ook niet op Sardinië, waar het eigen vetblad tot een andere groep behoort. Daarmee is P. corsica een goed voorbeeld van hoe eilandbergen soorten vasthouden: het hooggebergte van Corsica is sinds de laatste ijstijd een koel, nat eiland binnen een warm en droog eiland.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. Wat opvalt is de kleurvariatie van de bloem: binnen één weitje staan planten met een duidelijk lila kroon naast planten die vrijwel wit bloeien, en oudere beschrijvingen noemen zelfs geelachtige tinten. Die spreiding is waarschijnlijk gewoon individuele variatie en geen basis voor benoemde vormen. Verder verschilt de plantgrootte sterk met de natheid van de standplaats: aan de rand van een bron worden de rozetten ruim, op een dunne zode boven een steenhelling blijven ze klein. Natuurlijke hybriden zijn niet mogelijk, want er is geen tweede soort op het eiland.
Waar en wanneer te zien
Ga in juli of augustus naar de hoogvlakten rond de bergmeren, wanneer de pozzines groen staan en de rest van het eiland geel is. Loop langs de rand van het natte weitje in plaats van er dwars doorheen — de zode is kwetsbaar en de planten staan juist op de overgang naar het stromende water. Kniel en kijk van opzij: de bleke bloem steekt maar een paar centimeter boven de zeggen uit en verdwijnt van bovenaf volledig. Vroeg in de ochtend, met dauw en schuin licht, verraadt het klierdek van de rozetten hele groepen tegelijk.
Staat van instandhouding
De soort geldt als niet bedreigd. Dat is te danken aan het feit dat het Corsicaanse hooggebergte grotendeels binnen het regionale natuurpark valt en dat de pozzines moeilijk te ontginnen en niet te bebouwen zijn. Toch is een eilandendemeet met een areaal van deze omvang per definitie kwetsbaar: alle populaties liggen binnen één massief en zijn afhankelijk van dezelfde smeltwater- en kwelhuishouding. De aandachtspunten die in het gebied spelen zijn vertrapping door grazend vee en door wandelaars op de drukke hoogteroutes, en op langere termijn het uitdrogen van de hoogste veenweitjes bij warmere, sneeuwarmere winters. CITES is niet van toepassing.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula corsica | Bernard & Grenier, 1853
Beschreven door Célestin Bernard en Jean Charles Grenier in 1853. De soort is endemisch op het eiland Corsica en is nergens anders in het wild aangetroffen. De soortnaam corsica verwijst rechtstreeks naar Corsica, het enige eiland waar deze soort groeit.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.