Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula cubensis
Pinguicula cubensis
De naam suggereert dé Cubaanse soort, maar Pinguicula cubensis is juist een van de meest plaatsgebonden: hij werd in 2003 beschreven van de zuidhelling van de Sierra de Cajálbana in West-Cuba, bij een waterval, en is van weinig meer plekken bekend. De Cajálbana is een serpentijnmassief — een plateau van ultramafisch gesteente met een eigen, sterk endemische flora — en dat verklaart zowel de zeldzaamheid van de plant als de reden waarom hij daar juist wél kan groeien.

Herkenning
Een vlakke rozet van gaafrandige, vlezige bladeren die tegen natte rots aan ligt, aan de bovenzijde bezet met steelklieren die het blad een vochtige glans geven. Uit het hart komen dunne, klierachtig behaarde bloemstelen, elk met één tweelippige bloem met spoor. De plant is klein en gaat in de bemoste, druipende rotswand gemakkelijk schuil. Wie zeker wil zijn, let op het bladoppervlak: het ziet er nat uit en voelt vettig, en dat onderscheidt het van de mossen en kleine varens waartussen de rozet zit. De rozet is meestal niet groter dan enkele centimeters en bestaat uit een handvol bladeren die als dakpannen over elkaar liggen. Rond een bloeiende plant zie je vaak de restanten van vorige bloeistelen staan, verdroogd maar nog rechtop.
Gelijkende soorten
In West-Cuba zijn er maar weinig alternatieven. Pinguicula albida en P. filifolia horen bij de vlakke zandsavannen van het laagland en niet bij natte rotswanden; de laatste is bovendien direct herkenbaar aan zijn draadvormige bladeren. P. lithophytica, óók een rotsbewoner, staat op kalksteen in het bergland van Midden-Cuba en overlapt niet met de Cajálbana. Wie een vetblad aan een waterval op serpentijn in Pinar del Río vindt, mag dus met redelijke zekerheid aan deze soort denken — maar leg de vondst altijd fotografisch vast.
De val en hoe hij werkt
De rozet is een klassieke lijmval. Gesteelde klieren produceren een kleverige druppel; zittende klieren scheiden verteringsenzymen af zodra er een prooi op ligt, waarna het verteerde materiaal door de bladhuid wordt opgenomen. Bij een breed blad rolt de rand langzaam naar binnen, zodat het vocht in een ondiepe kom blijft staan en niet van de natte rots afloopt. Bij een waterval is het aanbod van prooien uitstekend: boven stromend water hangen permanent wolken kleine muggen en vliegjes, en die vormen het leeuwendeel van de vangst.
Standplaats en ecologie
De bekende standplaats is een natte rotswand bij een waterval op ultramafische bodem: permanent door water overstroomd of besproeid gesteente, in halfschaduw. Serpentijn is voor de meeste planten giftig terrein — veel magnesium, nikkel en chroom, weinig calcium, stikstof en fosfor — en juist die combinatie van permanente vochtigheid en extreme voedselarmoede is waar vleesetende planten het wél redden. Geëtiketteerd materiaal komt van ruim tweehonderd meter hoogte, op de zuidelijke flank van het plateau. Serpentijnmassieven als de Cajálbana vormen eilanden binnen het eiland: hun flora staat los van die van de omringende kalk- en zandgebieden, en soorten die er voorkomen, kunnen zich nergens anders vestigen. Dat verklaart waarom een plant met zulke bescheiden eisen toch maar op één plek groeit.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op Cuba en beperkt tot de provincie Pinar del Río in het westen van het eiland, in de gemeente La Palma: de Sierra de Cajálbana en haar directe omgeving, onder meer bij Las Vueltas. Het serpentijnplateau van Cajálbana is een van de klassieke botanische hotspots van West-Cuba, met tientallen soorten die nergens anders voorkomen. Voor dit vetblad betekent dat een areaal van enkele vierkante kilometers, geconcentreerd rond de plekken waar oppervlaktewater over de rots loopt.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Variatie in grootte hangt vooral samen met de waterhuishouding van de precieze plek: op voortdurend besproeide rots zijn de rozetten voller dan op wanden die in de droge maanden opdrogen. Omdat de soort pas in 2003 is beschreven en het aantal onderzochte populaties klein is, is de bandbreedte van de variatie nog niet goed in kaart gebracht — een reden te meer om vondsten zorgvuldig te documenteren.
Waar en wanneer te zien
Zoek waar het water is: watervallen, sijpelende rotswanden en de natte randen van beekjes op het serpentijnplateau, bij voorkeur op noord- en oostexposities die minder uitdrogen. De beste tijd is het regenseizoen en de maanden daarna, wanneer de wanden werkelijk nat zijn. Ga laag bij de grond zitten en kijk tegen het licht in; het klierdek verraadt de plant sneller dan de bloem. De streek is goed bereikbaar vanuit La Palma, maar veel van het plateau is beschermd gebied — informeer vooraf naar toegangsregels.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: een West-Cubaanse endeem met een uiterst klein areaal, gebonden aan permanent natte rots op een serpentijnmassief dat als geheel botanisch bijzonder waardevol is. De risico's voor zo'n soort zijn gemakkelijk te benoemen — mijnbouw en steengroeven op ultramafisch gesteente, wegaanleg, verminderde waterafvoer in drogere jaren en het feit dat één gebeurtenis een groot deel van de populatie kan raken. Dat er geen internationale categorie is, komt doordat de soort nog niet is getoetst, niet doordat er geen zorgen zijn.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula cubensis | Urquiola & Casper, 2003
Beschreven door Siegfried Jost Casper en Armando Urquiola Cruz in 2003, in Willdenowia 33(1): 167–172. Het typegebied ligt in de regio Cajálbana, niet ver van La Palma, in de provincie Pinar del Río in het westen van Cuba, op natte kalkstenen rotswanden op 220 meter hoogte. De soortnaam cubensis verwijst naar Cuba, waar de soort endemisch is, dicht in de buurt van de verwante P. albida.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.