Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula gracilis

Pinguicula gracilis

Een klein, slank vetblad van de kalkrotsen boven Monterrey, met een witte bloem waarin een purperen tekening de weg naar de keel wijst. Pinguicula gracilis werd in 1988 door Zamudio beschreven, samen met een tweede nieuwe soort, en is bekend van de Cerro de las Mitras en omgeving — een berg die pal aan een miljoenenstad grenst.

Pinguicula gracilis
Foto: Eglantina Canales — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Twee rozetvormen. De winterrozet bestaat uit blaadjes van 3 tot 12 mm lang en 1,5 tot 4 mm breed, vlezig en met weinig klieren; de zomerrozet uit iets bredere, plattere bladeren van 8 tot 16 mm lang en 4 tot 10 mm breed met een dun klierdek. De bloemsteeltjes worden 18 tot 57 mm, dun en rechtopstaand. De bloem meet 10 tot 19 mm inclusief de spoor en is wit, met purperen strepen of vlekken in de keel en aan de voet van de aders. De spoor is cilindrisch, 3 tot 6,5 mm lang en maar een halve tot hele millimeter dik. De bloemen komen uit de winterrozet en verschijnen in het koele seizoen. De naam verwijst naar de slanke bouw van de hele plant: dunne bloemsteeltjes, een smalle spoor van nauwelijks een millimeter dik, en een rozet die nooit de gedrongen, vlezige indruk maakt van de gipsbewonende verwanten. Na de bloei blijven kleine doosvruchten op de steeltjes staan.

Gelijkende soorten

In het noordoosten van Mexico zijn er meer kleine, witbloemige vetbladen. Pinguicula immaculata, van de gipshellingen bij Rayones en Galeana, heeft een egaal witte bloem met alleen een geelgroene keelvlek en mist de purperen adertekening. P. rotundiflora heeft een bleek lila tot roze bloem met brede, ronde slippen. P. lilacina is eenjarig en heeft een gele keelvlek. De combinatie van witte kroon, purperen tekening in de keel en een zeer dunne spoor van enkele millimeters is voor P. gracilis het bruikbaarst.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval op een klein blad, met een duidelijk seizoensritme. De zomerbladeren dragen gesteelde klieren met een kleverige druppel en daartussen zittende klieren die verteringsenzymen afgeven zodra er een prooi op ligt; de rand buigt zich licht naar binnen zodat het vocht blijft staan. De winterrozet is vlezig en vrijwel kliervrij en dient om de droge, koele maanden door te komen — juist de maanden waarin de plant bloeit. De vangst is klein: springstaarten, mijten, kleine muggen en vliegjes uit de mos- en varenlaag op de rots.

Standplaats en ecologie

Steile kalkrotsen onder eiken op de noordhelling van de Cerro de las Mitras, en hoger in mospakketten onder groepen cipressen; ook binnen eikengroepen lager op de berg (R2, B5). De hoogteligging loopt van ongeveer duizend tot achttienhonderd meter, waarmee de soort een flinke gradiënt bestrijkt van warm, droog eikenbos onderaan tot koeler, vochtiger bos bovenin. De planten wortelen in mos, gruis en spleten, niet in echte bodem, en ze zijn afhankelijk van schaduw en van vocht dat in de rots achterblijft. Op een berg die van beneden naar boven van warm eikenbos naar koel cipressenbos overgaat, verschuift ook het karakter van de standplaats: onderin gaat het om schaduw en rotsvocht, bovenin om mos dat de mist vasthoudt. Dezelfde soort leeft dus in twee tamelijk verschillende vochthuishoudingen.

Verspreiding en hoogte

Endemisch voor Mexico en bekend uit Nuevo León, gemeente Monterrey, met de Cerro de las Mitras als klassieke vindplaats. Onze soortenlijst zegt alleen 'Mexico'; de literatuur plaatst de soort in dat beperkte gebied in de Sierra Madre Oriental. Dat een vleesetende plant pas in 1988 werd beschreven op een berg die aan een van de grootste steden van Mexico grenst, zegt vooral hoe onopvallend zulke soorten zijn — en hoeveel er in de steile, moeilijk begaanbare noordwanden nog te ontdekken valt.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 5 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Wilde variëteiten worden niet onderscheiden. De variatie binnen de soort betreft vooral de bloemgrootte, die van een tot bijna twee centimeter loopt, en de mate waarin de purperen tekening in de keel is ontwikkeld: bij sommige planten is het een duidelijke streping, bij andere niet meer dan een zweem. De planten op de hogere, koelere standplaatsen hebben ruimere zomerrozetten dan die op de warme onderhellingen. Natuurlijke kruisingen zijn niet gepubliceerd.

Waar en wanneer te zien

De bloei valt in de winter, wat in het noordoosten van Mexico het aangenaamste seizoen is om te lopen. Zoek op de noordhelling, op beschaduwde kalkrotsen onder eiken en in mospakketten; hoger op de berg, onder de cipressen, zijn de planten groter. De witte bloem met purperen tekening staat op een dun steeltje boven de rozet en is het enige wat van een halve meter afstand opvalt. Ga zitten en werk kleine oppervlakken af; blijf van de mospakketten af, want ze laten van de rots los zodra je erop steunt.

Staat van instandhouding

Niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en niet in CITES opgenomen. Het bekende areaal is klein en ligt direct naast een snel groeiende stad van miljoenen inwoners, wat de voor de hand liggende druk verklaart: kalksteenwinning aan de voet van de berg, stadsuitbreiding, wandel- en klimrecreatie en branden in het eikenbos. Daar staat tegenover dat de steilste noordwanden slecht toegankelijk zijn en daardoor tamelijk goed beschermd. Er zijn geen gepubliceerde populatiecijfers; een beoordeling zou hier bij uitstek nuttig zijn, gezien de ligging.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula gracilis | Zamudio, 1988

Beschreven door Sergio Zamudio in 1988. Het typegebied ligt in het gebergte bij Monterrey, in de Mexicaanse deelstaat Nuevo León, op verticale, noordgerichte kalkrotsen in eiken- en cipresbossen tussen 1000 en 1800 meter hoogte. De soortnaam gracilis is Latijn voor "slank, sierlijk" en verwijst naar de tengere bouw van de plant.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.