Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula jaraguana

Pinguicula jaraguana

Pinguicula jaraguana draagt de naam van de Jaragua, een beek in de Sierra de Moa in het uiterste oosten van Cuba, en verder dan dat stroomgebied en zijn buren komt de soort niet. Het is een witbloemig vetblad van de serpentijnstruwelen — het lage, harde struikgewas dat op Cuba charrascal heet — waar het altijd nat is langs de beken en waar de bodem zoveel nikkel en magnesium bevat dat de meeste planten er niet tegen kunnen.

Pinguicula jaraguana
Foto: Noel Coutin Lobaina — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een vlakke rozet van gaafrandige, vlezige bladeren waarvan de rand naar boven is ingerold, met een dicht klierdek dat het blad nat laat lijken. Uit het hart komen dunne bloemstelen, elk met één witte bloem die met spoor en al tien tot dertien millimeter lang is. De zaden zijn voor het geslacht opvallend klein, zes- tot zeventiende van een millimeter met aanhangsel meegerekend. Deze combinatie — witte bloem van bescheiden afmeting, ingerolde bladrand, rozet groter dan die van de recent beschreven buursoort — is wat de plant in de literatuur onderscheidt.

Gelijkende soorten

De lastigste verwant is Pinguicula panfetiae, in 2025 beschreven uit hetzelfde bergland: die heeft kleinere rozetten met opgaande, omgekeerd eivormige bladeren waarvan de rand níét is ingerold, en kleinere bloemen van hooguit tien tot dertien millimeter. Ook P. albida uit West-Cuba is witbloemig, maar staat honderden kilometers verderop in laaglandsavanne. P. moaensis deelt dan weer de serpentijnbeken. Kortom: in dit gezelschap zijn standplaats en bloemmaat de bruikbare aanwijzingen, en foto's van bloem en bladrand zijn onmisbaar.

De val en hoe hij werkt

Het vangprincipe is dat van het geslacht: gesteelde klieren leveren een kleefdruppel, zittende klieren verteringsenzymen, en de bladhuid neemt het verteerde weer op. Bij deze soort helpt de van nature ingerolde bladrand extra bij het vasthouden van het verteringsvocht; wat bij veel vetbladen een tijdelijke beweging is, is hier al een deel van de bladvorm. Langs een beek in het struweel is het aanbod van prooi ruim: boven stromend water zwermen muggen en dansmuggen, en de rozetten liggen precies op de hoogte waar die insecten neerstrijken.

Standplaats en ecologie

De etiketten zijn hier kort maar duidelijk: charrascos a orillas de arroyos sobre serpentina — serpentijnstruweel langs beekoevers. Het gaat om permanent vochtige stroken langs bergbeken in een landschap van laag, hard struikgewas op ultramafisch gesteente. Zulke bodems zijn zwaar in metalen en arm aan stikstof, fosfor en calcium; de vegetatie blijft er laag en open, en het gezelschap bestaat uit soorten die nergens anders voorkomen. Voor een vleesetende plant is dat ideaal terrein: water in overvloed, mineralen alleen uit de lucht. Het charrascal zelf is laag genoeg om de beekoevers zonlicht te laten houden, en dat is voor een vetblad van belang: te veel schaduw en de plant verdwijnt, te veel zon en het klierdek droogt in. De smalle strook tussen die twee uitersten is precies waar de rozetten liggen.

Verspreiding en hoogte

Endemisch op Cuba en beperkt tot het Moa-massief in de provincies Holguín en Guantánamo: de cuchillas de Moa, de omgeving van Mina Mercedita, La Melba en de bovenloop van de río Jiguaní, met de beek Jaragua als naamgever. De geëtiketteerde vondsten liggen rond zeshonderd tot zeshonderdvijftig meter hoogte. Dat is een klein areaal binnen een van de botanisch rijkste gebieden van het Caribisch gebied, en tegelijk een gebied waar de grootste nikkelmijnen van het eiland liggen.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. Het donkere vak is het enige hok van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt. Het zegt waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Wat de recente literatuur wél laat zien, is dat wat lang als één witbloemige soort werd beschouwd, in werkelijkheid meerdere nauw verwante soorten omvat: de beschrijving van P. panfetiae in 2025 bracht het aantal Cubaanse vetbladen op vijftien en had juist deze soort als belangrijkste vergelijkingspunt. Het is dus goed mogelijk dat de variatie die veldwerkers binnen P. jaraguana zien, deels op nog onbeschreven verwanten berust.

Waar en wanneer te zien

Zoek langs beekjes in het lage serpentijnstruweel, op de permanent natte oeverstrook en op sijpelende plekken waar het water over de kale rots loopt. De beste tijd loopt van het late voorjaar tot de vroege zomer, wanneer de meeste Oost-Cubaanse vetbladen bloeien. Ga laag zitten en kijk tegen het licht in; de rozet is klein en het struweel staat vol met bladeren die er van boven af net zo uitzien. Vrijwel het hele gebied ligt in beschermde natuur of op mijnbouwterrein — ga met een gids en met toestemming. Neem de tijd om de bloem goed vast te leggen: bij deze soortengroep beslist de lengte van de bloem met spoor, en die meet je alleen betrouwbaar op een scherpe foto van opzij met een schaalaanduiding ernaast.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Wat bekend is: een Oost-Cubaanse endeem van een handvol beekdalen op serpentijn, in een hoogtezone waar ook de nikkelwinning plaatsvindt. Elke ingreep in de waterhuishouding van zo'n beek — afgraving, wegaanleg, sedimentafvoer — raakt de populatie rechtstreeks, en de soorten van dit bodemtype hebben nergens anders uitwijkmogelijkheden. Recente beschrijvingen uit hetzelfde gebied kregen bij publicatie voorlopige beoordelingen in de hoogste bedreigingsklassen; dat er voor deze soort nog geen categorie is, is dus vooral een kwestie van tijd en menskracht.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula jaraguana | Casper, 2003

Beschreven door Siegfried Jost Casper in 2003, in het artikel "Two new Pinguicula species (Lentibulariaceae) from East Cuba", Haussknechtia 9: 141–155. De plant was al in 1976 verzameld door Helga Dietrich, maar werd toen nog abusievelijk voor Pinguicula albida aangezien; ook H. Lippold had de plant eind jaren 1960 al informeel opgemerkt. De vindplaats ligt in de vallei van de beekjes Jaragua en Jiguani, in de bergketen Cuchillas de Moa in de provincie Holguín, oostelijk Cuba. De soortnaam verwijst rechtstreeks naar de vindplaats: de vallei van het beekje Jaragua.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.