Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula longifolia
Pinguicula longifolia
Het langbladige vetblad van de Pyreneeën, een plant van druipende kalkwanden in de schaduwrijke, koele kloven van de hoge valleien. Pinguicula longifolia wisselt in de loop van het seizoen van gedaante: een compacte voorjaarsrozet wordt in de zomer een krans van lange, lancetvormige bladeren die tot zeventien centimeter uit de rots hangen.


Herkenning
Een overblijvende rozetplant met een minimaal wortelstelsel, die op stolonen nieuwe rozetten vormt en als winterknop overwintert. De voorjaarsbladeren zijn omgekeerd eirond tot elliptisch en tweeëneenhalf tot zesenhalf centimeter lang; de zomerbladeren worden veel langer en smaller, zeven tot zeventien centimeter, lancetvormig, en hangen slap over de wand. Alle bladeren zijn kleverig en met klieren bedekt. De bloem is violet, met een korte trechtervormige buis en een kroon van achttien tot zevenentwintig millimeter; de spoor is opvallend lang, negen tot zestien millimeter, cilindrisch-priemvormig en recht of licht gebogen. Bloeitijd mei tot juli.
Gelijkende soorten
Op de Iberische kalkrotsen staan twee nauw verwante soorten. Pinguicula vallisneriifolia, uit de Andalusische sierras, heeft nog veel langere, lintvormige zomerbladeren — tot twintig centimeter en meer — en een grotere bloem van vijfentwintig tot vijfendertig millimeter; de arealen liggen bovendien ver uiteen. P. mundi, uit het grensgebied van Albacete en Jaén, heeft kortere zomerbladeren van zes tot elf centimeter en een kleinere bloem waarvan de bovenlip donkerder is dan de onderlip. In de Pyreneeën zelf is P. grandiflora de belangrijkste verwarringskans, maar die heeft korte, brede bladeren en een veel grotere, bijna vlakke bloem.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval die is gebouwd voor een verticale, permanent natte kalkwand. Het lange, smalle zomerblad geeft de plant veel kleefoppervlak zonder dat het ergens op hoeft te rusten; het hangt vrij uit de rots, precies in de luchtstroom waarin kleine insecten langs de wand bewegen. De gesteelde klieren dragen de kleefdruppel, de zittende klieren daaronder scheiden verteringsenzymen af zodra er een prooi op ligt, en de bladrand rolt zich over de vangst zodat het vocht niet meteen langs het blad naar beneden loopt. Op kalktuf met doorstromend water is dat de enige manier om iets van een vangst over te houden.
Standplaats en ecologie
Natte kalkrotsen en travertijnwanden waar bronwater overheen sijpelt, meestal beschaduwd, tussen negenhonderd en tweeduizend meter (R1, R2). De plant zit in spleten en op mospolsters direct op het gesteente, zonder echte bodem. Het klimaat is koel en vochtig; in de winter ligt er sneeuw en zijn de wanden vaak deels bevroren. De standplaats is basenrijk maar arm aan stikstof en fosfor — het langsstromende water voert alles af wat los ligt. Concurrentie van hogere planten is er nauwelijks, want op zo'n wand krijgt bijna niets anders houvast.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor de Pyreneeën in enge zin, met het zwaartepunt in de centrale keten in de Spaanse provincie Huesca en aan de Franse zijde daarvan. Sommige auteurs rekenen daarnaast twee geïsoleerde ondersoorten tot deze soort: een in de Franse Causses en een in de zuidwestelijke Alpen. In dat ruimere soortbegrip is de verspreiding dus verder verbrokkeld over drie ver uiteenliggende kalkgebieden. Onze eigen soortenlijst noemt de Pyreneeën, wat overeenkomt met de soort in enge zin. De hoogteligging loopt van negenhonderd tot tweeduizend meter.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
De belangrijkste vormvariatie is seizoensgebonden en geldt voor alle planten: de omslag van korte voorjaarsbladeren naar lange zomerbladeren, die bij een plant in mei en in augustus twee heel verschillende beelden geeft. Daarnaast zijn er de genoemde geografische ondersoorten: subsp. caussensis uit de Franse Causses en subsp. reichenbachiana uit de Maritieme Alpen worden door een deel van de auteurs binnen deze soort gehouden en door anderen als zelfstandig beschouwd. Natuurlijke hybriden met P. grandiflora zijn in de Pyreneeën beschreven; ze zijn tussenliggend van bouw en horen in deze gids bij de ouders.
Waar en wanneer te zien
Zoek in juni in de kloven en nauwe valleien van de centrale Pyreneeën, op de schaduwzijde. De beste wanden zijn nat en bemost en hangen over, met water dat er de hele dag overheen loopt; de planten zitten daar op ooghoogte en hoger. De violette bloemen met hun lange spoor zijn van tien meter afstand te zien, veel eerder dan de rozet. Blijf op het pad en klim niet langs de wand — de mospolsters waarin de plant wortelt, laten onder een voet meteen los, en de populaties op één wand zijn niet groot.
Staat van instandhouding
De soort is op de wereldwijde IUCN-Rode Lijst beoordeeld als niet bedreigd, met een stabiel geachte populatietrend, en staat niet in CITES. Aan de Spaanse zijde geniet ze bovendien wettelijke bescherming. Dat neemt niet weg dat het om een endemische plant met een beperkt areaal gaat, die volledig afhankelijk is van wanden met permanent doorstromend bronwater. De risico's zijn navenant: het afnemen van bronafvoer bij langere droogteperioden, het vatten van bronnen voor drinkwater en veedrinkplaatsen, en plaatselijke schade door klimmen en betreding van bemoste wanden. Voor een soort die per wand maar een handvol vierkante meters bewoont, tellen zulke plaatselijke ingrepen zwaarder dan de wereldwijde categorie doet vermoeden.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula longifolia | de Candolle, 1805
Beschreven door Louis Ramond de Carbonnières, gepubliceerd door Augustin Pyramus de Candolle in 1805. De soort is endemisch voor de centrale Pyreneeen, aan weerszijden van de Frans-Spaanse grens. De naam "longifolia" is Latijn voor "langbladig": in de zomer kunnen de bladeren tot wel 14 cm lang worden, opvallend lang voor het geslacht.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.