Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula vallisneriifolia
Pinguicula vallisneriifolia
Het grootste vetblad van Europa, en het enige dat er van een afstand uitziet als een waterplant die per ongeluk op een rotswand is beland. De lintvormige zomerbladeren van Pinguicula vallisneriifolia worden tot twintig centimeter lang en meer, en hangen in dichte gordijnen van overhangende kalkwanden in de sierras van Cazorla en Segura in Andalusië. De soortnaam verwijst naar de waterplant Vallisneria, waarvan het blad precies zo lijkt.


Herkenning
Een plant met twee heel verschillende gedaanten. In de winter is het een compacte rozet van bladeren van vijfentwintig tot veertig millimeter; in het groeiseizoen komen daaruit lange, smalle, lintvormige bladeren van veertig tot tweehonderd millimeter, bij uitzondering tweehonderdzestig, die slap van de wand hangen. De plant is in bloei zeven tot vijftien centimeter hoog. De bloem is de grootste van het geslacht in Europa: vijfentwintig tot vijfendertig millimeter, uitzonderlijk veertig, met een spoor van tien tot veertien millimeter en soms tot twintig. De kleur wisselt per gebied — in de Sierra de Cazorla helder violet, in de Sierra de Segura vrijwel wit met minder overlappende kroonslippen. De plant maakt uitlopers en vormt daarmee grote klonen.
Gelijkende soorten
Pinguicula longifolia uit de Pyreneeën heeft zomerbladeren tot zeventien centimeter en een kleinere bloem van achttien tot zevenentwintig millimeter; de arealen liggen bijna duizend kilometer uit elkaar. P. mundi, uit het grensgebied van Albacete en Jaén en dus veel dichterbij, heeft zomerbladeren van zes tot elf centimeter en een bloem van hooguit drieëntwintig millimeter met een donkerder bovenlip. In de praktijk is de bladlengte doorslaggevend: geen ander Europees vetblad hangt met linten van twintig centimeter aan de rots. Op een wand zonder blad — vroeg in het voorjaar — helpt de forse winterrozet.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval met een oppervlakte die in Europa zijn gelijke niet kent. Een volgroeide plant heeft tientallen lange, kleverige linten die vrij van de wand hangen; samen vormen ze een verticaal vangscherm waar kleine insecten langs de rotswand doorheen moeten. De gesteelde klieren dragen de druppel, de zittende klieren daaronder scheiden enzymen af zodra er een prooi op ligt, en de bladrand rolt zich over de vangst zodat het verteringsvocht niet langs het blad naar beneden loopt — bij een hangend lintblad een kritisch detail. De vangst bestaat uit muggen en kleine vliegen uit de vochtige, schaduwrijke kloof. Op kaal kalkgesteente waar het water alles meeneemt, is dat de belangrijkste voedingsbron.
Standplaats en ecologie
Verticale, overhangende kalkrotsen en druipende travertijnwanden, altijd beschaduwd en met permanent doorsijpelend water, tussen zeshonderd en zeventienhonderd meter (R1, R2). De planten hangen vaak onder overhangende delen, waar geen directe zon komt en de wand het hele jaar nat blijft. Er is geen bodem: de wortels zitten in mos en in spleten van de kalktuf. In het droge Andalusische klimaat zijn zulke wanden koele, vochtige eilanden — de plant maakt gebruik van een microklimaat dat honderd meter verderop al niet meer bestaat.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Zuid-Spanje. De kern van het areaal ligt in de sierras van Pozo, Cazorla, Segura en Las Villas in de provincie Jaén, met uitlopers naar de Sierra de Castril in Granada, één groeiplaats in de provincie Albacete en een geïsoleerde populatie in de Sierra de Cázulas. In het kerngebied zijn tientallen populaties bekend, wat voor een endemische rotsplant veel is. Onze eigen soortenlijst noemt Andalusië, wat het zwaartepunt goed weergeeft maar de Albacetese vindplaats buiten beschouwing laat. De hoogteligging beslaat ruim duizend meter.
- Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden, maar er is een duidelijk geografisch patroon in de bloemkleur: planten in de Sierra de Cazorla bloeien helder violet, terwijl die in de Sierra de Segura vrijwel wit zijn en smallere, minder overlappende kroonslippen hebben. Daarnaast is er de seizoenswisseling van winterrozet naar lange zomerbladeren, die alle planten doormaken. Omdat de soort zich met uitlopers vermeerdert, bestaat een wand vaak uit één of enkele klonen, wat de genetische variatie binnen een populatie beperkt. Natuurlijke hybriden zijn niet beschreven.
Waar en wanneer te zien
Ga in mei of juni naar de kloven van de Sierra de Cazorla en volg de weg door het dal; de wanden waar het water uit komt, zijn van de weg af te zien. Kijk omhoog naar overhangende kalkrotsen aan de schaduwzijde — de lange bladgordijnen zijn onmiskenbaar en van tientallen meters afstand herkenbaar, veel eerder dan de bloemen. Een verrekijker is hier het belangrijkste instrument. Klim niet naar de planten toe: de wanden zijn broos, de mospolsters laten los, en het is niet nodig, want vrijwel alles is van beneden goed te zien.
Staat van instandhouding
De soort is op de wereldwijde IUCN-Rode Lijst beoordeeld als niet bedreigd en staat niet in CITES. Dat berust op een relatief groot aantal bekende populaties binnen een klein areaal, grotendeels binnen een beschermd natuurpark. Toch is dit een endeem van Zuid-Spanje met bijzondere kwetsbaarheden. De planten hangen aan wanden die hun water uit karstbronnen krijgen, en het grondwaterpeil in deze kalkbergen staat onder druk door watergebruik in de omliggende dalen en door langere, hetere droogteperioden. Daarbij komt dat veel populaties in feite uit een handvol klonen bestaan, wat het aanpassingsvermogen beperkt. De gunstige categorie zegt hier vooral dat het nu nog goed gaat, niet dat er niets kan veranderen.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula vallisneriifolia | Webb, 1853
Beschreven door Philip Barker Webb in 1853. De soort is endemisch voor Spanje, waar hij voorkomt op kalksteenrotsen, met name in de bergketens van Cazorla en Segura, in de provincie Jaén. De naam verwijst naar de gelijkenis van de lange, lintvormige zomerbladeren met die van het waterplantengeslacht Vallisneria.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.