Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula nevadensis

Pinguicula nevadensis

Hoog boven de laatste dennen van de Sierra Nevada, op de doorweekte hellingen vlak onder de toppen, ligt een vetblad dat nergens anders ter wereld groeit. Pinguicula nevadensis is klein, zelden meer dan een handpalm breed, en bloeit maar kort: de sneeuw laat de standplaats pas in juni los en in augustus is het alweer voorbij. Het is de enige soort in deze gids die op de Rode Lijst als bedreigd staat.

Pinguicula nevadensis
Foto: Santiago Martín-Bravo — CC BY 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een platte rozet van vijf tot acht bladeren die bijna rond tot eivormig zijn, 1,5 tot 4,5 cm lang en tot 2,5 cm breed, met een vettig aanvoelende bovenkant en een rand die naar binnen is omgerold. In bloei is de plant 3 tot 7 cm hoog, zelden elf; per rozet staan één tot drie, hoogstens vier bloemstelen, elk met één bloem. De kroon is 10 tot 16 mm lang en lila van kleur; de onderlip is bleeklila tot bijna wit en heeft drie slippen die duidelijk langer dan breed zijn, waardoor de bloem een smalle, bijna spinachtige indruk maakt. In de keel zit een donkerlila vlek. De spoor is 3 tot 5 mm, recht en tamelijk kort. Na de bloei vormt zich in juli tot september de doosvrucht, met ongeveer zestig zaden per vrucht.

Gelijkende soorten

Binnen het eigen gebergte is verwarring nauwelijks mogelijk: geen enkele andere Pinguicula komt boven de tweeduizend meter in de Sierra Nevada voor. Lager in de Betische bergen staat Pinguicula vallisneriifolia, maar die is een heel andere plant — veel groter, met lange, riemvormige bladeren die over natte kalkwanden hangen, en met uitlopers. Wie de soort op foto vergelijkt met P. vulgaris ziet dat de slippen van de onderlip bij P. nevadensis smaller en langer zijn en de bloem daardoor ijler oogt. Het onderscheidende kenmerk is uiteindelijk de standplaats: een doorweekte, kortgrazige alpiene weide op leisteen, boven de boomgrens.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval zonder snelle beweging. Het blad draagt gesteelde klieren met een glinsterende slijmdruppel en daartussen zittende klieren die pas verteringsenzymen afgeven wanneer er prooi op ligt. Wat er blijft plakken is in dit milieu vooral heel klein: dansmuggen, vliegjes en springstaarten die in de doorweekte zode leven. De bladrand rolt zich in reactie op een prooi langzaam wat verder naar binnen, zodat het verteringsvocht in een ondiepe geul blijft staan. Op zo'n hoogte is dat geen luxe: het groeiseizoen duurt nauwelijks drie maanden, de bodem is arm en zuur, en de stikstof uit een paar honderd muggen maakt het verschil tussen bloeien en niet bloeien.

Standplaats en ecologie

Permanent doorweekte, kortgrazige weiden op glimmerleisteen, gevoed door smeltwater dat de hele zomer blijft sijpelen — in het Spaans borreguiles genoemd. De plant staat tussen zeggen en mossen in een zode die nooit uitdroogt, op plekken die tot ver in juni onder sneeuw liggen. Anders dan de meeste Zuid-Europese vetbladen is dit geen kalkplant: het gesteente is silicaatrijk en het water zacht. Aan de bovenkant van het bereik gaat de standplaats over in vochtige steenhellingen vlak onder de graten, aan de onderkant in beweide bergweide, waar betreding en vertrapping door vee en Spaanse steenbok de grootste bedreiging vormen.

Verspreiding en hoogte

Uitsluitend de hoogste delen van de Sierra Nevada in Zuid-Spanje, provincie Granada. De soort vormt daar een onderbroken ring van deelpopulaties rond de centrale kam, tussen ruwweg 2150 en 2950 meter, plaatselijk tot iets boven de drieduizend. Het volledige wereldareaal past in een gebied van enkele tientallen vierkante kilometers. De totale populatie is bij de laatste telling op ruim vijfentwintigduizend individuen geschat, verdeeld over een paar honderd kilometerhokken — geen klein aantal planten, maar wel op één enkel bergmassief, en dat is precies het probleem.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 2 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen ondersoorten of variëteiten in het wild onderscheiden. Binnen het areaal verschillen de deelpopulaties vooral in plantgrootte en in hoeveel bloemstelen een rozet maakt: op de natste, best beschutte plekken bloeien meer rozetten en staan er vaker drie stelen tegelijk, op de kale, windgeschuurde hellingen blijft het bij één. De kleurintensiteit van de kroon loopt uiteen van bleek lila tot vrij verzadigd; witbloeiende planten zijn zeldzaam maar worden af en toe gemeld. Slechts een kwart van de planten bloeit in een gegeven jaar, wat het beeld in het veld sterk kan vertekenen.

Waar en wanneer te zien

Juli is de betrouwbaarste maand: dan is de sneeuw van de meeste standplaatsen weg en staat de bloei op zijn hoogtepunt. Zoek niet op de droge graat maar op de natte, vlakke stukken waar smeltwater over de zode trekt en waar de grond onder je voet mee veert. De plant is klein en de bloem staat vlak boven het gras, dus ga zitten en kijk tegen de helling in; het licht dat door de lila kroon valt verraadt hem eerder dan de rozet. Blijf op de paden en op steen lopen: vertrapping van de doorweekte zode is een van de vastgestelde bedreigingen, en één onhandige stap kost hier meer dan elders.

Staat van instandhouding

De soort staat als bedreigd te boek en is daarmee de zwaarst beoordeelde vetbladsoort van Europa. De grond daarvoor is niet dat er weinig planten zijn, maar dat ze allemaal op één bergmassief staan, in kleine, van elkaar gescheiden stukjes nat grasland, met een verspreidingsgebied van hooguit enkele tientallen vierkante kilometers. De genoemde bedreigingen zijn begrazingsdruk en vertrapping door vee en Spaanse steenbok, erosie en afschuivingen, en recreatiedruk rond de hoogste paden. Daar bovenop komt het klimaat: de soort hangt volledig aan smeltwater dat de hele zomer blijft lopen, en kortere sneeuwseizoenen halen die watervoorziening onderuit. De plant is beschermd onder de Europese Habitatrichtlijn en onder Andalusische regelgeving; CITES is hier niet aan de orde.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula nevadensis | (Lindberg) Casper, 1962

Oorspronkelijk in 1932 beschreven door Harald Lindberg, aanvankelijk (onterecht) als ondersoort van Pinguicula vulgaris. Pas in 1962 erkende Siegfried Jost Casper de plant in zijn monografie als eigen soort, wat de huidige combinatie Pinguicula nevadensis (Lindb.) Casper opleverde. De soort komt voor in de Sierra Nevada, in het zuiden van Spanje, in natte, door zeggen en levendbarend zwenkgras gedomineerde weiden op 1400 tot boven de 3000 meter hoogte. De naam verwijst naar de Sierra Nevada, het Spaanse gebergte waarin de soort voorkomt.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.