Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula mundi

Pinguicula mundi

In het kalkbergland van centraal Spanje, waar het water na een lange weg door de rots weer aan de oppervlakte komt, hangt Pinguicula mundi aan druipende wanden en kalktufafzettingen. Het is een forse soort naar vetbladmaatstaven, met een violette bloem waarvan de spoor bijna even lang is als de rest, en met bladeren die in de loop van de zomer flink uitgroeien.

Pinguicula mundi
Foto: Alberto Ortego — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een rozet van zes tot twaalf, soms vijftien bladeren die schuin omhoog of rechtop staan in plaats van plat te liggen. De voorjaarsbladeren zijn drie tot zes centimeter lang, de zomerbladeren zes tot elf centimeter en tot drie centimeter breed — de plant wisselt dus met het seizoen van gedaante. Het blad is geelgroen, vettig en glinstert van de klierdruppels. De bloemstelen zijn vijf tot twaalf centimeter hoog en dragen elk één violette bloem met een kroon van veertien tot eenentwintig millimeter, in de keel lichter getekend. De spoor is opvallend: negen tot veertien millimeter, cilindrisch en naar de punt toe versmald, vrijwel horizontaal naar achteren gericht of iets omlaag.

Gelijkende soorten

De naaste verwanten zijn de andere Iberische rotsvetbladen. Pinguicula vallisneriifolia, van de Betische bergen, is nog groter en maakt lange uitlopers waarmee hij hele wanden bekleedt; dat kenmerk ontbreekt hier. Pinguicula casperiana, in 2020 afgesplitst, staat in de Serranía de Cuenca en werd daar eerder onder de naam P. mundi gerekend — wie oudere literatuur over dat gebied leest, moet daar rekening mee houden. Pinguicula dertosensis uit de Ports staat verder naar het oosten. In de praktijk is de vindplaats hier het bruikbaarste kenmerk.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval die in een permanent vochtige, schaduwrijke kloof uitstekend werkt. Het blad draagt gesteelde klieren met een heldere kleefdruppel en daartussen zittende klieren die verteringsenzymen leveren zodra er prooi op ligt. In dit milieu bestaat het aanbod uit muggen, dansmuggen, vliegjes en springstaarten die in de vochtige lucht langs het water leven. De bladrand rolt zich na een vangst verder om, wat op een schuine of overhangende wand het verschil maakt tussen verteren en weglopen. De kalktuf waarop de plant staat is als voedingsbodem vrijwel waardeloos, en juist daarom loont vleeseterij hier.

Standplaats en ecologie

Druipende, noordgerichte kalkwanden en kalktufafzettingen waar bronwater permanent overheen trekt, in schaduwrijke kloven en aan de voet van rotsbanken. De plant wortelt in spleten en in het poreuze, voortdurend natte tufgesteente, meestal buiten het directe zonlicht. Droogvallen wordt niet verdragen: waar de bron in een droog jaar stilvalt, verdwijnt de populatie. De hoogteligging loopt van ongeveer negenhonderd tot zestienhonderd meter. Deze standplaatsen zijn in het Spaanse kalkbergland zeldzaam en klein, en ze herbergen vaak een hele reeks vochtminnende soorten die in de omringende droge sierra ontbreken.

Verspreiding en hoogte

Het centrale Iberische kalkbergland: de Serranía de Cuenca, de Sierra de Alcaraz en het Calar del Mundo, verdeeld over de provincies Cuenca, Guadalajara en Albacete. De soortnaam verwijst naar de Río Mundo, waarvan de bron in het Calar del Mundo een van de bekendste vindplaatsen is. Sinds de afsplitsing van P. casperiana in 2020 is het zwaartepunt van P. mundi verschoven naar de zuidelijke helft van dit gebied; onze eigen soortenlijst vermeldt alleen 'Spanje', wat te grof is voor een plant met zo'n verbrokkelde verspreiding.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 4 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. Wat het meest opvalt is de seizoensdimorfie: dezelfde plant draagt in het voorjaar korte, brede bladeren en in de zomer aanzienlijk langere, en wie beide stadia niet kent kan ze voor verschillende planten aanzien. Verder varieert de kroongrootte tussen twaalf en drieëntwintig millimeter en de spoorlengte tussen acht en vijftien; planten op de natste, schaduwrijkste wanden zitten aan de bovenkant van dat bereik. De taxonomische begrenzing van de soort is in de afgelopen jaren tweemaal aangescherpt, en dat proces is waarschijnlijk niet afgerond.

Waar en wanneer te zien

Mei en juni, wanneer het smelt- en regenwater van de winter nog door de kalk sijpelt en de wanden overal druipen. Zoek in de noordgerichte, schaduwrijke kloven en niet op de open sierra; volg een beek stroomopwaarts tot waar hij uit de rots komt. Kijk omhoog: de rozetten hangen vaak boven het pad tegen de natte wand, en de violette bloemen steken op steel goed af tegen het donkere, natte gesteente. Loop niet over de tufrand aan de voet van de wand — die is zacht, breekt makkelijk af en herstelt zich in mensenjaren niet.

Staat van instandhouding

De soort geldt als niet bedreigd. Dat is voor een plant die aan een paar dozijn natte kalkwanden vastzit een tamelijk gunstige uitkomst, en ze berust vooral op het feit dat de kern van het areaal in slecht toegankelijk, beschermd bergland ligt. De kwetsbaarheid blijft: elke standplaats hangt aan één bronstroom, en het aftappen van bronnen voor drinkwater en irrigatie, dalende grondwaterstanden bij lange droogte en de aanleg van wegen en waterwerken door de kloven zijn reële bedreigingen. Betreding rond populaire bronlocaties speelt daarbij op enkele plekken een rol. CITES is niet van toepassing.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula mundi | Blanca, Jamilena, Ruíz Rejón & Zamora, 1996

Beschreven door Gabriel Blanca, Manuel Jamilena, Manuel Ruíz Rejón en Regino Zamora in 1996, in Plant Systematics and Evolution 200: 58. De populatie werd tot dan toe abusievelijk aangezien voor Pinguicula vallisneriifolia, ondanks opvallende morfologische verschillen. De typelocatie ligt in de Sierra de Alcaraz, in de kloof van de rivier Mundo, in de provincie Albacete, Spanje, op kalkrotsen tussen 1000 en 1250 meter hoogte. De naam verwijst naar de vindplaats: de rivier Mundo (Rio Mundo).

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.