Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula dertosensis

Pinguicula dertosensis

Waar Catalonië, Aragón en Valencia elkaar raken ligt een ruw kalkmassief met diepe kloven en koele, natte wanden: de Ports de Tortosa-Beseit. Pinguicula dertosensis is het vetblad van die kloven, een forse, violetbloeiende plant die lang als een lokale vorm van het grootbloemig vetblad werd beschouwd.

Pinguicula dertosensis
Foto: jltasset — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een rozet van geelgroene, langwerpige bladeren die vettig aanvoelen en met de rand naar boven zijn omgekruld; op steile wanden staan ze schuin omhoog in plaats van plat. In bloei wordt de plant vijf tot twintig centimeter hoog, wat voor een Europees vetblad ruim is. De bloemstelen zijn onbehaard en dragen elk één tweelippige bloem, violet tot blauwviolet, met een lichtere keel en drie brede slippen aan de onderlip. De spoor is lang en recht en steekt schuin naar achteren; die lange spoor is het kenmerk waarmee de soort bij de grootbloemige, westmediterrane groep hoort. Bloeitijd april tot juli.

Gelijkende soorten

De naaste verwanten zijn de andere Iberische rotsvetbladen, en de geschiedenis is verwarrend: het taxon is lange tijd als ondersoort van Pinguicula grandiflora gevoerd, en pas later als eigen soort erkend. Daarbij komt dat de populaties in de Sierra Tejeda, die vroeger ook P. dertosensis werden genoemd, in 2020 als aparte soort Pinguicula tejedensis zijn afgesplitst. Het praktische gevolg voor de veldgidslezer: P. dertosensis in de strikte zin staat alleen in het noordoosten, in de Ports en omgeving. Alles wat in Andalusië onder die naam is gemeld, hoort inmiddels elders thuis.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval die het van vocht en schaduw moet hebben. Het blad draagt gesteelde klieren met een kleefdruppel en zittende klieren die pas enzymen afscheiden als er prooi op ligt. In een koele kalkkloof bestaat de vangst uit muggen, vliegjes, kleine kevertjes en springstaarten die de vochtige lucht langs het water opzoeken. Na een vangst rolt de bladrand zich over de prooi zodat het verteringsvocht in een ondiepe kom blijft staan; op een bijna verticale wand is dat essentieel. Het kalksteen zelf levert nauwelijks stikstof, en de plant haalt vrijwel alles wat ze nodig heeft uit haar vangst.

Standplaats en ecologie

Vochtige kalkrotsen in koele, schaduwrijke kloven: druipende wanden, overhangende rotsbanken waar water uit een spleet komt, en de natte zone naast een bergbeek. De plant wortelt in spleten en in mospolsters op het gesteente en verdraagt geen droogte. De standplaatsen liggen meestal noord- of noordoostgericht, waar de zon nauwelijks komt en de luchtvochtigheid ook in de zomer hoog blijft. In een landschap dat verder mediterraan droog is, vormen deze kloven koele eilanden waarin naast het vetblad ook varens en mossen van veel noordelijker streken standhouden.

Verspreiding en hoogte

Het massief van de Ports de Tortosa-Beseit en aansluitende bergen in de Tinença de Benifassà, op de grens van Catalonië, Aragón en de provincie Castelló. Het areaal is klein en scherp begrensd, met een sterk Iberisch-levantijns karakter. Onze eigen soortenlijst noemt alleen 'Spanje (Catalonië)'; dat is niet onjuist, maar wel onvolledig, want een belangrijk deel van de vindplaatsen ligt aan de Valenciaanse en Aragonese kant van hetzelfde massief. De vroegere Andalusische vermeldingen horen sinds 2020 bij een andere soort.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 7 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. Wat varieert is de plantgrootte, die van vijf tot twintig centimeter loopt en samenhangt met de vochtigheid en de beschutting van de standplaats, en verder de verzadiging van het violet. De naamsgeschiedenis is bewogener dan de plant zelf: van ondersoort van P. grandiflora naar zelfstandige soort, en daarna een inperking van het areaal door de afsplitsing van de Andalusische populaties. Wie oudere literatuur raadpleegt moet dus steeds nagaan welke omgrenzing er wordt gebruikt.

Waar en wanneer te zien

Mei is doorgaans de beste maand: de wanden druipen nog van het voorjaarswater en de bloei is op gang. Zoek in de koele, noordgerichte kloven van het massief, langs de beken en onder overhangende rotsbanken. Kijk op ooghoogte en hoger — de rozetten zitten vaak boven het pad in een natte spleet — en gebruik een verrekijker in plaats van te klimmen. Het gesteente is los en de mospolsters waarin de plant wortelt laten bij aanraking meteen los; van een afstand kijken levert meer op en kost de populatie niets.

Staat van instandhouding

De soort geldt als niet bedreigd. Dat is te danken aan het feit dat de kloven van de Ports moeilijk toegankelijk zijn, binnen beschermd natuurgebied liggen en niet te ontginnen zijn. Toch is het areaal klein en hangt elke afzonderlijke standplaats aan een constante watertoevoer door de kalk. De reële risico's zijn het aftappen van bronnen, dalende grondwaterstanden bij langere droogte, en recreatiedruk in de populairste kloven, waar klimmen en canyoning precies de natte wanden raken waar de plant staat. Verzamelen van wilde planten is voor deze goed herkenbare, fotogenieke soort eveneens een aandachtspunt. CITES is niet van toepassing.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula dertosensis | (Cañigueral) Mateo & Crespo, 1995

Oorspronkelijk in 1957 beschreven als varietéit van Pinguicula grandiflora door Francesc Cañigueral, in Collectanea Botanica (Barcelona) 5: 413; in 1995 door Gonzalo Mateo en Manuel B. Crespo verheven tot eigen soort. Het typegebied ligt bij de Puertos de Tortosa, in de provincie Tarragona in Spanje. De soortnaam dertosensis is afgeleid van "Dertosa", de klassiek-Latijnse naam voor Tortosa, de stad bij de typelocatie.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.