Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula ramosa
Pinguicula ramosa
Het enige vetblad ter wereld met een vertakte bloemsteel. Bij alle andere soorten van het geslacht draagt elke steel precies één bloem; Pinguicula ramosa splitst zijn steel in tweeën of drieën en zet er twee of drie bloemen op. De soort groeit alleen in de Nikko-bergen in het Japanse Tochigi, op vijftienhonderd tot zeventienhonderd meter, op verticale vulkanische rotswanden die door een overhang tegen de regen worden beschermd.

Herkenning
Een kleine rozet van bladeren van acht tot vijftien millimeter lang en vijf tot acht breed, met een afgeronde top en naar binnen omgerolde randen, die vaak half in het mos wegzakt. Het kenmerk van de soort is de bloemsteel: vijftien tot negentig millimeter lang en twee- tot drietakkig, met aan elke tak een bloem — uniek binnen het geslacht en van een afstand al te zien. De bloem is wit, zeven tot elf millimeter lang, met een tweelobbige bovenlip en een onderlip waarvan de lobben ongelijk zijn; de spoor is kort, kegelvormig en geel, één en een halve tot vier millimeter. Bloeitijd juni en juli. Buiten het seizoen trekt de plant zich terug tot een klein winterknopje tussen het mos.
Gelijkende soorten
In bloei is verwarring uitgesloten: geen enkel ander vetblad vertakt zijn bloemsteel. Buiten de bloei kan de rozet lijken op een jonge Pinguicula macroceras, die in dezelfde Japanse bergen groeit, maar die soort wordt veel groter — bladeren tot vijfenvijftig millimeter — en heeft een blauwpaarse bloem op een ongetakte steel. P. vulgaris komt in Japan niet voor. De standplaats is bovendien heel specifiek: droge, beschutte, verticale rotswand onder een overhang, in de schaduw. Wie daar in Nikko een klein vetblaadje vindt, heeft vrijwel zeker deze soort.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval in een ongewoon droge omgeving voor dit geslacht. De rotswanden waar de soort op groeit, liggen onder een overhang en krijgen nauwelijks directe regen; het vocht komt van de hoge luchtvochtigheid en van water dat door het gesteente sijpelt. Dat betekent dat de kleefdruppel van de gesteelde klieren kostbaar is en de plant er zuinig mee moet omgaan. De zittende klieren scheiden pas verteringsenzymen af als er een prooi op het blad ligt; de bladrand rolt daarna naar binnen. De vangst bestaat uit springstaarten, muggen en andere kleine insecten die in het mos en in de spleten van de wand leven. Op kaal vulkanisch gesteente, waar geen bodem en dus geen minerale voeding is, is die vangst vrijwel de enige stikstofbron.
Standplaats en ecologie
Verticale, met mos begroeide vulkanische rotswanden op vijftienhonderd tot zeventienhonderd meter, meestal op het noorden gericht en half tot sterk beschaduwd (R1), in de bosgordel en langs bosranden en kloven (B5). De wanden zijn door overhangende delen beschermd tegen directe neerslag, wat de mossen en de plant een stabiel microklimaat geeft. Gezelschapsplanten zijn onder meer Saxifraga fortunei en Primula modesta, beide typische planten van vochtige Japanse rotswanden. Het klimaat is koel, met een dikke sneeuwlaag in de winter.
Verspreiding en hoogte
Endemisch voor Japan en in de praktijk beperkt tot een paar bergen in de Nikko-streek in de prefectuur Tochigi, op het eiland Honshu. Het is daarmee een van de kleinste areaalen in dit boek. De hoogteligging is smal, tussen vijftienhonderd en zeventienhonderd meter, en het aantal geschikte rotswanden binnen die band is beperkt. Het gebied ligt grotendeels binnen een nationaal park, maar dat beschermt de wanden niet tegen alle vormen van druk.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. Wat varieert, is het aantal takken van de bloemsteel — meestal twee, soms drie — en de lengte van de spoor, die van anderhalve tot vier millimeter loopt. Planten op sterk beschaduwde wanden blijven kleiner en bleker dan die op een halfbeschaduwde plek. De vertakte bloemsteel zelf is geen afwijking maar het soortkenmerk: hij komt bij alle planten voor en is niet af en toe wel en af en toe niet aanwezig. Natuurlijke hybriden zijn niet beschreven; er is in dit hoogtebereik geen tweede vetbladsoort die op dezelfde wanden staat.
Waar en wanneer te zien
Dit is een soort die je kijkt en niet aanraakt. De wanden in Nikko zijn bekend, deels beschermd en gevoelig voor betreding; klimmen op of langs deze rotsen beschadigt de mossen waarin de planten wortelen. Zoek vanaf het pad de schaduwzijde van rotswanden af, onder overhangen, en let op de vertakte steeltjes met witte bloempjes in juni en juli — die zijn van een paar meter afstand herkenbaar en veel opvallender dan de rozet. Een verrekijker is hier nuttiger dan een loep.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES; er is dus geen internationale categorie. Nationaal ligt dat anders: in Japan geldt de soort als bedreigd en is ze strikt beschermd. De genoemde oorzaken zijn de erosie en beschadiging van de rotswanden, mede door klimmers, de effecten van zure neerslag op het mostapijt, en vooral de sterk toegenomen graasdruk van herten, die op de berg Koshin de vegetatie tot op de rots heeft weggevreten en daarmee een acute crisis voor de plaatselijke populatie heeft veroorzaakt. Bij een soort met een handvol groeiplaatsen op één bergmassief betekent dat dat de wereldpopulatie aan een paar wanden hangt.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula ramosa | Miyoshi ex Yatabe, 1890
Beschreven door Manabu Miyoshi in 1890, in Botanical Magazine Tokyo 4: 315, op basis van materiaal dat op 9 augustus 1890 verzameld werd. De typelocatie ligt op de berg Koshin-zan, in de toenmalige provincie Shimotsuke (het huidige Tochigi-prefectuur), Japan, bij een rotswand genaamd Fuji-sengen langs het pad tussen de Koshin-sanso-hut en de top. De naam "ramosa" (vertakt) verwijst naar de bloemsteel, die bij deze soort — uniek binnen het geslacht — dicht bij de basis vertakt is. De Japanse naam koshin-so ("Koshin-plant") verwijst rechtstreeks naar de vindplaats, de berg Koshin-zan.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.