Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula involuta

Pinguicula involuta

Een van de oudste Zuid-Amerikaanse vleesetende planten in de literatuur: Ruiz en Pavón vonden hem eind achttiende eeuw inter muscos — tussen de mossen — in het koude, natte bergland van centraal Peru, en beschreven hem in hun Flora Peruviana. De soortnaam slaat op de bladrand, die zo sterk naar binnen is omgerold dat het blad bijna een gootje wordt.

Pinguicula involuta
Foto: John P Martin — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Herkenning

Een kleine rozet van dikke, langwerpige bladeren van vijftien tot vijfentwintig millimeter lang en acht tot twaalf breed, die plat op het mos liggen. Het kenmerk waar de soort naar heet, valt van dichtbij meteen op: de bladrand is over de hele lengte naar binnen omgerold, veel sterker dan bij de meeste vetbladen, zodat het blad in bovenaanzicht smaller lijkt dan het is. De onderkant is bruinpaars aangelopen, de bovenkant olijfgroen en glanzend van de klierdruppels. De bloemstelen zijn dun en dragen elk één bloem van tien tot twaalf millimeter, violet tot bleekviolet en soms bijna wit, met een spoor van drie tot vier millimeter die zich duidelijk van de kroon af buigt. De bloeitijd is opvallend lang: van mei tot in december staan er bloeiende planten.

Gelijkende soorten

In Bolivia kan de soort samen voorkomen met Pinguicula jarmilae, die lager zit, grotere bloemen heeft van dertien tot vijftien millimeter en een korte, rechte spoor; de gekromde spoor van P. involuta is hier het snelste kenmerk. Verder noordelijk in de Andes staat P. calyptrata, met breder blad tot vijfendertig millimeter en een korte, kegelvormige spoor van hooguit drieënhalve millimeter. De sterk omgerolde bladrand is bij twijfel het beste veldkenmerk: geen van de omringende soorten rolt het blad zo ver naar binnen. Zonder bloem is de bruinpaarse onderkant van het blad een tweede aanwijzing.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval die is gebouwd voor een schuine of verticale, permanent natte ondergrond. De gesteelde klieren houden een druppel vast die door de hoge luchtvochtigheid nauwelijks indroogt; de zittende klieren daaronder scheiden verteringsenzymen af zodra er een prooi op het blad ligt. De omgerolde bladrand speelt hier een grotere rol dan bij de meeste soorten: doordat het blad al in rusttoestand een gootje vormt, blijft het verteringsvocht vanzelf bij de prooi staan en loopt het niet langs de mossige rots weg. De vangst bestaat uit de kleine tweevleugeligen en springstaarten die in het mostapijt van bronmilieus wemelen. Wat er na verloop van tijd overblijft, zijn zwarte skeletjes die in het gootje van het oude blad liggen vastgeplakt.

Standplaats en ecologie

Natte, met mos begroeide rotsen en steile hellingen tussen tweeduizendzevenhonderd en drieduizendvierhonderd meter (R1), in de koude, mistige gordel boven het nevelbos en tot in de open bergvegetatie daarboven (R5). Het holotype werd al beschreven als groeiend tussen de mossen, en dat is nog steeds de beste omschrijving van de standplaats: een aaneengesloten, doorweekte mos- en levermoslaag op steen, gevoed door doorsijpelend water, niet door bodem. Temperaturen zijn er het hele jaar laag en schommelen meer tussen dag en nacht dan tussen de seizoenen.

Verspreiding en hoogte

De soort komt voor in centraal en zuidelijk Peru, met opgaven uit de departementen Pasco en Huánuco, en verder zuidwaarts in Bolivia in de Yungas van La Paz en Cochabamba. Hij is dus niet endemisch voor één land, maar wel beperkt tot een smalle hoogteband langs de oostflank van de Andes. Onze eigen soortenlijst noemt Ecuador en Peru; het Boliviaanse deel van het areaal is goed gedocumenteerd, terwijl bevestigde Ecuadoraanse vondsten ontbreken — daar neemt P. calyptrata de rol over. De hoogteligging is overal ongeveer dezelfde: tussen de tweeëneenhalf- en drieëneenhalfduizend meter.

  • Waargenomen (hokken van een graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 11 vakken van een hele graad — ruwweg honderdtien kilometer — waarin de soort is waargenomen, uit alle waarnemingen bij GBIF. Deze maat is grover dan bij de meeste soorten, omdat van deze plant vrijwel geen enkele waarneming een nauwkeurige coördinaat draagt: de vindplaats van bestroopte soorten wordt bij de bron vertroebeld. Op deze schaal verdwijnt dat in de ruis. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets.

Vormen en variatie

Er worden geen variëteiten of ondersoorten in het wild onderscheiden. De variatie die er is, betreft vooral de bloemkleur, die van helder violet via bleeklila tot bijna wit loopt, ook binnen één populatie; dat is dus geen basis om vormen te onderscheiden. Planten uit de hoogste delen van het areaal blijven kleiner en hebben een compactere rozet dan die uit beschutte, mossige rotsnissen. Natuurlijke hybriden zijn niet gemeld. Omdat de soort genetisch dicht bij P. calyptrata en P. jarmilae staat, is het niet uitgesloten dat toekomstig onderzoek het soortbegrip hier nog verschuift.

Waar en wanneer te zien

Zoek op de rotsen, niet in het gras. De beste plekken zijn steile, noordelijk of oostelijk gerichte wanden langs bergpaden en beekjes boven de nevelbosgrens, waar mos in dikke kussens op de steen groeit en het water er permanent doorheen sijpelt. De rozetten zijn klein en groen op groen; ga dicht bij de wand staan en kijk met strijklicht. Omdat de bloei van mei tot december loopt, is het seizoen ruim — maar de plant is in de natte maanden het makkelijkst te vinden, als de mossen actief groeien en de bloemstelen boven het kussen uitsteken.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Er is dus geen internationale categorie, en er bestaat ook geen recente telling van populaties. Wat bekend is: het areaal beslaat honderden kilometers langs de oostelijke Andesflank, verdeeld over Peru en Bolivia, maar de soort komt binnen dat gebied alleen voor op een zeer specifieke standplaats — natte, mossige rots in een smalle hoogteband. Dat soort verspreidingen zijn kwetsbaar voor veranderingen in de mistgordel en voor wegenbouw, die in de Andes juist langs steile hellingen loopt. Zonder gerichte inventarisatie valt over de trend weinig te zeggen; het ontbreken van een beoordeling is hier een leemte, geen vrijbrief.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula involuta | Ruiz & Pavón, 1798

Beschreven door Hipólito Ruiz López en José Antonio Pavón in 1798, in Flora Peruviana et Chilensis 1: 20. Het typemateriaal werd verzameld in koude, vochtige hooggebieden bij Pillao en Panao Huassahuassi, in het huidige Peru, tussen mossen. De soortnaam involuta is Latijn voor "ingerold" en verwijst naar de sterk naar binnen gerolde bladranden van deze soort.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.