Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula calyptrata

Pinguicula calyptrata

Het vetblad van de noordelijke Andes, en de enige soort van het geslacht die Humboldt en Bonpland op hun Amerikaanse reis in handen kregen. Pinguicula calyptrata groeit in de páramo van Ecuador en Colombia, tussen de pluimgrassen en de kussenplanten, op hoogten waar het elke nacht bijna vriest en elke middag mist. Lang gold hij als de verzamelbak voor bijna elk Andesvetblad; pas sinds kort is dat beeld aan het opschonen.

Pinguicula calyptrata
Foto: Alexey Yakovlev — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula calyptrata — de standplaats
De standplaats · Foto: Alexey Yakovlev — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons
Pinguicula calyptrata — de bloem
De bloem · Foto: Dr. Alexey Yakovlev — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een vlakke rozet van olijfgroene bladeren die met tien tot vijfendertig millimeter lengte en zeven tot twintig breed tot de grotere Zuid-Amerikaanse vetbladen behoort. Het blad draagt zowel gesteelde als zittende klieren en voelt duidelijk vettig; de rand is licht opgerold, maar lang niet zo sterk als bij P. involuta. Uit het hart komen dunne, rechtopstaande bloemstelen met elk één bloem. De bloem is met de spoor meegerekend tien tot vijftien millimeter lang, tweelippig, violet tot bleekviolet, met een blauwe tint in de keel en donkere aderen. De spoor is opvallend kort voor zo'n bloem: kegelvormig, stomp, één tot drieënhalve millimeter — een kenmerk waarmee je de soort in de páramo zonder meetlint herkent.

Gelijkende soorten

De twee soorten die in 2023 uit het oude, ruime calyptrata-begrip zijn losgemaakt — P. jimburensis en P. ombrophila, beide uit het zuiden van Ecuador — zijn de meest verwarrende buren; ze verschillen in bloembouw en groeien elk op één bekende plek, zodat de locatie meestal uitsluitsel geeft. P. involuta, verder zuidwaarts in Peru en Bolivia, is kleiner, heeft een sterk omgerolde bladrand en een langere, gekromde spoor. P. elongata, in de Colombiaanse páramo, is onmiskenbaar aan zijn lange, lintvormige zomerbladeren van meer dan tien centimeter. Bij twijfel: meet de spoor. Korter dan vier millimeter en kegelvormig wijst hier naar P. calyptrata.

De val en hoe hij werkt

Een lijmval die in de páramo tegen twee dingen moet opboksen: felle ultraviolette straling overdag en bijna vorst 's nachts. De gesteelde klieren houden een kleverige druppel vast die door de vrijwel permanente mist zelden indroogt; de zittende klieren daaronder komen pas in actie als er een prooi ligt en scheiden dan enzymen af die het insect ter plekke oplossen. De bladrand rolt daarbij langzaam over de vangst heen, zodat het vocht in een ondiep kuiltje blijft staan. Het aanbod bestaat uit kleine vliegen, muggen en springstaarten die zich in de luwte van de graspollen ophouden. In de páramo is stikstof schaars en koud — organisch materiaal breekt er traag af — en juist daarom levert een gevangen insect meer op dan wat de wortels uit de bodem kunnen halen.

Standplaats en ecologie

Natte plekken in de páramo tussen ruwweg tweeënhalf- en vierduizend meter: doorsijpelde rotswanden en steilranden (R1), open, kort begroeide bodem boven de boomgrens tussen de pollen door (R5), en de drassige randen van bronnen, veentjes en weidegrasland (W6). De plant houdt van kaal, permanent vochtig substraat zonder hoge vegetatie erboven; hij verdwijnt zodra de pollen zich sluiten. Waar de páramo wordt begraasd, profiteert hij vaak juist van de kortgehouden vegetatie, zolang het vee de standplaats niet vertrapt.

Verspreiding en hoogte

De soort komt voor in Ecuador en Colombia, langs de beide Andesketens, en is daarmee niet endemisch voor één land. Oudere literatuur noemt ook Peru, maar die opgaven zijn niet met herbariummateriaal te bevestigen en worden tegenwoordig niet meer gevolgd. De verspreiding volgt de páramogordel: een lange, smalle, hoog gelegen band die door de valleien in tientallen eilanden uiteenvalt. Dat verklaart waarom er binnen het oude soortbegrip zoveel afwijkende populaties zaten — elke páramo is een eiland, en isolatie doet de rest.

  • Waargenomen (hokken van een kwart graad)
Verspreiding uitsluitend op basis van waarnemingen bij GBIF (Global Biodiversity Information Facility), niet op TDWG-regio's: die zijn vaak veel groter dan het werkelijke areaal. De lichte halo is het gebied rond een waarneming, de donkere kern de waarneming zelf. De donkere hokken zijn 32 vakken van een kwart graad waarin de soort werkelijk is waargenomen, uit GBIF en alleen uit waarnemingen die tot op vijf kilometer nauwkeurig zijn. Ze zeggen waar hij is gezíén, niet waar hij voorkomt: een leeg vak betekent niets. Bij bedreigde soorten gaat deze laag nooit fijner dan een hele graad, met opzet.

Vormen en variatie

In het wild worden geen variëteiten onderscheiden, maar de soort is wel uitgesproken veranderlijk in bladgrootte en bloemkleur, van diep violet tot bijna bleeklila. Een deel van die variatie bleek bij nader onderzoek geen variatie binnen één soort te zijn: twee Ecuadoraanse populaties zijn in 2023 als aparte soorten beschreven, en de auteurs geven aan dat er in het resterende materiaal nog meer verschillen zitten dan in één soort passen. Wat nu P. calyptrata heet, is dus vermoedelijk een groep van nauw verwante planten waarvan de grenzen nog niet vastliggen. Natuurlijke hybriden zijn niet beschreven.

Waar en wanneer te zien

De páramo is groot en de plant is klein; laat het landschap het werk doen. Loop langs de natte lijnen — een bronbeekje, een kwelplek onder een steilrandje, de rand van een hooggelegen veentje — en zoek daar op de kale stukken tussen de graspollen. De rozetten liggen plat en zijn olijfgroen op bruin; de bloem verraadt ze het snelst. Ga vroeg in de ochtend, voordat de mist optrekt: het licht is dan zacht en de klierdruppels staan vol. Neem in de hoogte de tijd, en denk erom dat de standplaatsen zelf kwetsbaar zijn voor vertrapping.

Staat van instandhouding

De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES. Er is dus geen internationale categorie. Wat bekend is, is gemengd: het areaal is met twee landen en honderden kilometers páramo op het oog ruim, maar de recente afsplitsing van twee soorten laat zien dat het werkelijke aantal populaties van de soort in enge zin kleiner is dan gedacht. De páramo zelf staat onder druk door uitbreiding van veeteelt en akkerbouw naar grotere hoogte, door branden en door verdroging van de mistgordel. Een gerichte beoordeling zou dus zowel over de soort als over de standplaats iets moeten zeggen; die is er nog niet.

Wetenschappelijke naam

Pinguicula calyptrata | Kunth, 1817

Beschreven door Alexander von Humboldt, Aimé Bonpland en Carl Sigismund Kunth in 1817, in Nova Genera et Species Plantarum 2: 183. Het typegebied ligt in Colombia en Ecuador. De soortnaam calyptrata is Latijn voor "met een kapje/muts bedekt" en verwijst naar een kapvormige structuur in de bouw van de bloem.

World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.