Alle soorten › Lipbloemigen › Blaasjeskruidfamilie › Pinguicula elongata
Pinguicula elongata
Het vreemdste vetblad van de Andes. Waar bijna al zijn verwanten een keurige, platte rozet maken, laat Pinguicula elongata in het groeiseizoen lange, lintvormige bladeren uitgroeien tot ruim vijftien centimeter — smalle, kleverige slierten die als zeewier tussen de páramopollen hangen. De soort staat op zo'n drieduizendtweehonderd meter in het Colombiaanse hoogland, waar het de hele dag waait en het elke nacht om het vriespunt schommelt.

Herkenning
De plant heeft twee soorten blad, en dat verschil is het hele verhaal. De onderste bladeren zijn breed eirond tot omgekeerd eirond, zes tot twaalf millimeter lang en vijf tot negen breed: een gewone kleine vetbladrozet. Daarboven verschijnen in het groeiseizoen lijn-lancetvormige bladeren van honderdvijf tot honderdvijftig millimeter lang en slechts vijf tot tien millimeter breed, die zich oprichten of slap uithangen. Beide typen zijn met klieren bedekt en kleverig. De bloem is violet met blauwe aderen en met de spoor meegerekend vijftien tot twintig millimeter lang; de spoor zelf is kort, dik en breed kegelvormig, bleekgroen en twee tot drie millimeter. De combinatie van een lange bladsliert en een bloem met een dikke, stompe, bijna afwezige spoor is in het hele geslacht uniek.
Gelijkende soorten
Verwarring is met geen enkele andere soort in het gebied goed mogelijk zodra de lange bladeren er zijn. Zonder die bladeren — vroeg in het groeiseizoen of bij jonge planten — lijkt de rozet op die van Pinguicula calyptrata, die in dezelfde páramogordel voorkomt. Dan helpt de bloem: P. calyptrata heeft een slankere, spitsere spoor en een bloem van hooguit vijftien millimeter, P. elongata een dikke, breed kegelvormige, bleekgroene spoor. De Europese soort met vergelijkbaar lang blad, P. vallisneriifolia, groeit op een andere werelddeel en op kalkrots, dus die verwarring blijft theoretisch.
De val en hoe hij werkt
Een lijmval met een ongebruikelijke vorm. De lange, smalle bladeren bieden per plant veel meer kleefoppervlak dan een platte rozet, en ze staan bovendien niet op de grond maar tussen de pollen in, waar vliegende insecten zich in de luwte ophouden. Op het blad staan de gebruikelijke gesteelde klieren met hun druppel en de zittende klieren die pas enzymen loslaten als er een prooi ligt. De smalle bladschijf rolt bij een vangst aan de randen naar binnen, zodat het verteringsvocht in een gootje blijft staan — bij dit bladtype bijna vanzelfsprekend. De vangst bestaat uit kleine vliegen en muggen; in de koude páramo verloopt de vertering traag en blijft een prooi dagenlang zichtbaar.
Standplaats en ecologie
Open páramo op ongeveer drieduizendtweehonderd meter, boven de boomgrens (R5), op natte, kort begroeide bodem en langs drassige plekken en bronnen tussen de graspollen (W6). Het is een hard milieu: de wind staat er de hele dag, de temperatuur zakt vrijwel elke nacht van het jaar tot rond het vriespunt, en alleen lage planten en grassen houden het uit. De bodem is zuur, koud en arm; afbraak van organisch materiaal verloopt er zo traag dat opneembare stikstof schaars blijft. Dat is de reden dat vleeseterij juist op zulke hoogten loont.
Verspreiding en hoogte
De soort is bekend uit de Colombiaanse Andes, waar hij in de páramo van de oostelijke en centrale ketens groeit; oudere opgaven uit Venezuela zijn niet goed onderbouwd. Daarmee is hij vrijwel zeker endemisch voor Colombia. De hoogteligging is smal: rond de drieduizend tot drieduizendvierhonderd meter, dus volledig binnen de páramogordel. Zoals bij alle páramosoorten is het areaal in werkelijkheid een archipel — elke bergrug een eiland, gescheiden door lager gelegen, beboste valleien waar de plant niet kan groeien.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er worden geen variëteiten in het wild onderscheiden. De opvallendste variatie binnen de soort is die tussen de twee bladtypen van dezelfde plant, en die is seizoensgebonden en niet erfelijk: aan het begin van het groeiseizoen zijn er alleen korte rozetbladeren, later verschijnen de lange. Wie een plant zonder lange bladeren vindt, heeft dus geen andere vorm maar een ander moment gevangen. Tussen populaties verschilt vooral de intensiteit van de bloemkleur. Natuurlijke hybriden zijn niet beschreven; de enige andere vetbladsoort in het gebied, P. calyptrata, staat er meestal niet direct naast.
Waar en wanneer te zien
Ga in de Colombiaanse páramo op de natte plekken zitten en kijk tussen de pollen door in plaats van erop. De lange bladeren zijn groen, slap en smal en lijken sprekend op gras totdat het licht op de klierdruppels valt; strijklicht in de vroege ochtend of laat in de middag is daarom het beste moment. Let op de luwtekanten van bronbeekjes en op de drassige randen van kleine veentjes. De páramo is kwetsbaar: blijf op vaste ondergrond en vermijd het vertrappen van kwelplekken, want die zijn precies waar de plant staat.
Staat van instandhouding
De soort is niet geëvalueerd voor de wereldwijde IUCN-Rode Lijst en staat niet in CITES; er is dus geen internationale categorie. Wat bekend is, blijft beperkt tot verspreide herbariumvondsten en enkele veldwaarnemingen: geen tellingen, geen trend. Wel is duidelijk dat het leefgebied als geheel onder druk staat. De Colombiaanse páramo krimpt door opschuivende veeteelt en aardappelteelt, door branden, en doordat de mistgordel bij opwarming naar boven verschuift terwijl er boven de bergtoppen geen ruimte meer is. Voor een soort met een smalle hoogteband is dat laatste het zwaarste punt. Het ontbreken van een beoordeling is hier dus vooral een gebrek aan gegevens.
Wetenschappelijke naam
Pinguicula elongata | Benjamin, 1847
Beschreven door Ludolph Benjamin in 1847, in Linnaea 20: 318. Het typegebied ligt in Colombia, in een páramo-omgeving op ongeveer 3200 meter hoogte. De soortnaam elongata is Latijn voor "verlengd" en verwijst naar de langgerekte, lijn-lancetvormige bladeren van deze soort.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.