Alle soortenSteltloperachtigenAlken › Papegaaiduiker

Papegaaiduiker

Fratercula arctica | Atlantic puffin | Frailecillo atlántico

De papegaaiduiker is in de broedtijd onmiskenbaar, maar juist in Nederlandse wateren zie je hem vrijwel altijd in het onopvallende winterkleed, ver uit de kust. Dat maakt hem tot een echte determinatieopgave tussen alken en zeekoeten door.

Papegaaiduiker (Fratercula arctica)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgend. Bij de kolonie klinkt uit het hol een diep, slepend gekreun, ongeveer arr-uh-arrrr, dat op een startende kettingzaag lijkt en 's avonds het sterkst is. Het geluid draagt niet ver en hoor je alleen als je zelf op een broedeiland tussen de holen loopt, van mei tot begin augustus.

Luister: Gekreun vanuit het holWikimedia Commons

Opname: British Library — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Gedrongen, met een grote ronde kop en een korte hals. In zomerkleed een hoge driehoekige snavel met blauwgrijze, gele en rode platen, een lichtgrijs wit gezichtsmasker, zwarte kraag en feloranje poten, plus een rood ooglidrandje met grijze hoornaanhangsels. In winterkleed valt de buitenste snavelrand af: de snavel wordt kleiner en doffer en het gezicht donkergrijs, waardoor de vogel veel minder opvalt. In vlucht is de donkere ondervleugel het beslissende kenmerk, samen met de bolle kop, de zoemende slagen en de oranje pootjes die achteruit steken. Onvolwassen vogels hebben een duidelijk smallere, donkere snavel.

Verwarrings­soorten

Alk en zeekoet zijn slanker gebouwd, hebben een langere snavel en tonen in vlucht een witte ondervleugel; op het water valt bij de papegaaiduiker de hoge voorhoofdslijn op. Kleine alk is veel kleiner, met een minimale snavel en een witte streep op de schouder. Een winterse papegaaiduiker op afstand wordt geregeld als alk afgedaan; let dan op de kortere, diepere snavel, het grauwe gezicht en het ontbreken van wit dat tot achter het oog doorloopt.

Leefgebied

Broedt in zelfgegraven holen in grasrijke bovenranden van eilanden en kliffen, en in spleten van blokvelden, met kolonies op IJsland, de Faeröer, Noorwegen, Schotland en Ierland. Buiten de broedtijd verspreidt hij zich ver over de Atlantische Oceaan en de noordelijke Noordzee, waar hij op zandspiering, sprot en jonge haring duikt. In de winter komt hij zelden binnen zicht van de kust.

Verspreiding en trek

Nederland ligt aan de rand van het winterareaal: de meeste waarnemingen komen van zeetrektellingen bij harde wind, van veerboten en van dode vogels op het strand. Spanje herbergt in de winter aanzienlijke aantallen in de Golf van Biskaje en voor de Galicische kust, met kleinere aantallen langs de Middellandse Zee. De dichtstbijzijnde kolonies liggen op de Britse eilanden en in Noorwegen.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2024-08-01 – 2026-07-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Wie de soort goed wil zien, reist in mei, juni of juli naar een kolonie als Skomer, de Farne Islands, Runde of Látrabjarg, waar vogels op meters afstand met bekjes vol zandspiering landen. Voor Nederlandse waarnemingen loont zeetrekken na een langdurige noordwesterstorm in november tot februari, of een winterse veerbootovertocht met een telescoop op het achterdek. Noteer bij twijfel altijd de ondervleugel: dat kenmerk houdt stand wanneer kleur en snavelvorm door tegenlicht wegvallen.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar op de wereldlijst en in Europa nog ongunstiger beoordeeld, met sterke afname in de kernkolonies van Noorwegen en IJsland. De hoofdoorzaak is voedseltekort: warmer zeewater verschuift de bestanden van zandspiering en jonge haring, waardoor jongen te weinig krijgen en jaar na jaar broedsels mislukken. Daarnaast spelen ingevoerde ratten en nertsen op broedeilanden, bijvangst in netten en olievervuiling een rol; beperking van de zandspieringvisserij geldt als de meest directe beheersmaatregel.

Andere soorten in deze familie

Alk · Kleine alk · Zeekoet