Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Moerassneeuwhoen
Moerassneeuwhoen | Lagopus lagopus
Willow Ptarmigan | Lagópodo común | Moorschneehuhn | שכווי אירופי | Lagopède des saules
Het hoen van de berkengordel en de wilgenstruwelen, zwaarder en warmer gekleurd dan zijn hooggebergtebuur. Op de Britse Eilanden komt een eigen, niet-trekkende ondersoort voor die daar bekendstaat als 'red grouse' en nooit een wit winterkleed draagt; op het vasteland van West- en Zuid-Europa broedt de soort niet, zodat wie hem wil zien naar het noorden moet reizen. In Lapland is hij op elke tocht te verwachten; hij vliegt pas van heel dichtbij op en gaat er dan blaffend vandoor.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Luid en hees; te horen in de Laplandse bergen in mei. De haan stijgt schuin op, klapwiekt en laat dan een blaffend ke-ke-kèèèh-ke-ke-ke horen dat als een gierend lachen over het struweel rolt, waarna hij met gespreide staart naar beneden zweeft. Verstoorde vogels roepen een hard kèk-kèk-kèk bij het opvliegen. Het geluid draagt kilometers over open terrein en werkt van het eerste licht tot laat in de lichte nacht.
Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Fors, gedrongen hoen met een zware, hoge snavel en volledig bevederde poten. Winterkleed geheel wit met zwarte staart, zonder teugelstreep. De haan in de lente heeft een roestbruine kop, hals en borst tegen een nog wit lijf en een dikke rode wenkbrauwroos; in de zomer is de vogel warm roodbruin met grove donkere bandering, buik en vleugels blijven wit. Het herfstkleed is warmbruin en breed gebandeerd. Op zijn felst is een vogel in zomerkleed te zien, in Abisko in Lapland.
Verwarringssoorten
Het alpensneeuwhoen zit in Scandinavië hoger op dezelfde bergen en is de enige echte verwarringssoort. In winterwit draagt alleen de haan van het alpensneeuwhoen een zwarte teugelstreep van snavel door het oog; het moerassneeuwhoen heeft die nooit, maar omdat ook de alpenhen hem mist, sluit het ontbreken ervan niets uit. In zomerkleed is het moerassneeuwhoen warm roodbruin en grof gebandeerd, het alpensneeuwhoen koel grijs met fijne golfbandering. In herfstkleed staat warmbruin tegenover egaal asgrijs. Het zekerste kenmerk is op elk moment de snavel: bij het moerassneeuwhoen zwaar en hoog, bij het alpensneeuwhoen klein en tenger. Het Schotse sneeuwhoen valt buiten deze reeks omdat het als enige nooit wit wordt.
Leefgebied
De struweelgordel net onder en net boven de boomgrens: wilgenstruweel langs beken, dwergberkenvelden, natte veenranden en de open berkenzone. Ook op laaggelegen hoogveen en aapaveen met veel dwergstruiken. In de winter leeft de vogel bijna volledig van berken- en wilgenknoppen en -katjes, en graaft hij zich in sneeuwholen in.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Scandinavië door Lapland en het noorden van Oost-Europa verder de taigazone in, met daarnaast een groot areaal in Noord-Amerika. Op de Britse Eilanden leeft de eigen Britse vorm, die in deze gids als Schots sneeuwhoen apart staat. Voor West-Europa is het geen dwaalgast: wie hem wil zien, gaat naar Scandinavië.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop in de tweede helft van mei een dalpad in Abisko, Kilpisjärvi of op de Dovrefjell in de uren rond middernacht, wanneer het licht laag staat en de hanen baltsen. Blijf op de rand tussen berkenbos en open fjell (kale Scandinavische berghoogvlakte boven de boomgrens) en laat je oren het werk doen; het blaffen komt vaak van een lage struik of een steenblok waar de haan open zit. Later in het seizoen zijn hennen met kuikens langs bospaden te vinden, maar dan is het geluid grotendeels verstomd.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie is groot en de soort staat als niet bedreigd te boek, maar in Fennoscandinavië lopen de aantallen al decennia terug. Onderzoek wijst op steeds vaker sneeuwvrije voorjaren, waardoor witte vogels op donkere grond zichtbaar worden, op nattere en koudere kuikenweken en op het wegvallen van de knaagdierpieken die roofdieren normaal van de nesten afhouden. De jacht is in Fennoscandinavië gereguleerd, met quota en kortere seizoenen in slechte jaren.
Wetenschappelijke naam
Lagopus lagopus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tetrao lagopus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lagopus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Lagopus is Grieks, van lagos 'haas' en pous 'voet': 'hazenvoet', naar de tot op de tenen bevederde poten. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweeds Lapland.




