De leefgebieden van Europa
Elke soort in deze gids is gekoppeld aan de leefgebieden waar hij in Europa het meest voorkomt, volgens de EUNIS-indeling van het Europees Milieuagentschap. Die kent tien hoofdgroepen, van zee tot bebouwing, en daaronder enkele tientallen bredere formaties. Per vogel staan hooguit zeven van die formaties: niet alles waar hij ooit is gezien, maar waar hij werkelijk thuishoort.
Klik op een leefgebied voor de beschrijving.
Zee A
Alle leefgebieden waarin zeewater bepalend is, van de hoogwaterlijn tot de diepzeebodem. De onderverdeling volgt de ondergrond en de diepte: harde rotsbodem en los sediment in de getijdenzone, dezelfde tweedeling onder de laagwaterlijn, en daaronder de bodem van de diepzee. Daarnaast staan twee formaties die niet aan de bodem gebonden zijn: de open waterkolom en het zee-ijs. Voor vogels loopt het bereik van soorten die bij eb over het slik lopen tot soorten die alleen om te broeden aan land komen.
-
Rotskust in de getijdenzone A1
Hilbre Island, Dee-estuarium, Engeland
10 soorten
Vaste rots, keien en kiezels tussen de hoogwater- en de laagwaterlijn, plus de spatzone daarboven. EUNIS legt de bovengrens bij de bovenkant van de korstmossengordel en de ondergrens waar de kelp begint; daaronder ligt de ondiepe rotsbodem. Zand en slik op dezelfde hoogte horen bij het wad. Langs de Atlantische en noordelijke kusten liggen de gordels boven elkaar: korstmossen, zeepokken en mosselen op de blootgestelde koppen, dicht bruinwier in beschutte baaien, en overal getijdenpoelen. Vogels zoeken tussen wier en zeepokken naar slakken, kreeftachtigen en mossels. Paarse strandloper en steenloper foerageren op de natte rots, de oeverpieper broedt in spleten erboven, en kuifaalscholver en harlekijneend duiken vlak voor de kust.
-
Wad en slik in de getijdenzone A2
Waddenzee bij Föhr, Duitsland
111 soorten
Grind, zand, slibrijk zand en slik die bij eb droogvallen, in alle mengsels daartussen. Het onderscheid met de rotskust zit in de ondergrond, dat met de zeebodem daarbuiten in het droogvallen: wat permanent onder water blijft, valt er niet onder. Grof en beweeglijk sediment herbergt weinig; fijn zand en slik houden water vast en zitten vol wormen, schelpdieren en kleine kreeftachtigen. Aan de bovenrand gaan de platen over in zeegrasvelden en kwelder. De grote Europese voorbeelden zijn de Waddenzee, de Britse estuaria, de baai van de Mont-Saint-Michel en de mondingen van Taag en Guadalquivir. Steltlopers halen er de ingegraven dieren uit: bonte strandloper, kanoet, rosse grutto en scholekster, terwijl de rotgans het zeegras afgraast.
-
Ondiepe rotsbodem A3
Kelpwoud bij Molène, Iroise-zee, Bretagne
7 soorten
Rots, keien en kiezels net onder de laagwaterlijn, tot de diepte waar kelp en dicht wier ophouden, ruwweg de bovenste tien tot dertig meter. De bovengrens is de bovenkant van de kelpgordel, met daarboven de rotskust die droogvalt; onder de ondergrens begint de rotsbodem zonder wiervegetatie. Langs Noorwegen, IJsland en de Britse en Ierse kusten staat hier kelpbos met rode wieren eronder; in troebel estuariumwater ontbreekt de kelp en nemen sponzen en zeepokken het over. In de Middellandse Zee is de begroeiing lager. Vogels duiken tussen de stengels naar vis en schaaldieren: kuifaalscholver en zwarte zeekoet het hele jaar, harlekijneend en Stellers eider in het noorden.
-
Zeebodem van zand en slib A5
Zandbank bij Wangerooge, Duitse Waddenzee
39 soorten
Zand, slib, grind en gemengd sediment op de bodem beneden de laagwaterlijn, tot de rand van het bathyaal op ongeveer tweehonderd meter. Het verschil met het wad is dat deze bodem nooit droogvalt; het verschil met de ondiepe rotsbodem is de losse ondergrond. In de Noordzee, de Oostzee en op de banken van de Ierse Zee liggen uitgestrekte zandvlakten met schelpdierbanken, daarnaast zeegrasvelden in beschutte baaien en maerl op grof grind. Wat vogels hier halen ligt in of vlak boven de bodem: schelpdieren, wormen en platvis. Zwarte zee-eend en eider duiken boven de schelpdierbanken, ijseend en roodkeelduiker overwinteren boven ondiepe zandbodems.
-
Open zee A7
Golf van Biskaje, Atlantische Oceaan
56 soorten
Het water zelf, los van bodem en kust: van kustwater en zeearmen tot de oceaan boven de diepzee. EUNIS deelt de kolom in naar zoutgehalte, gelaagdheid en diepte, van de verlichte bovenlaag tot de abyssopelagische zone, en tekent erbij aan dat dezelfde plek in de loop van het jaar onder een ander type valt, omdat de gelaagdheid met de seizoenen verschuift. In Europa gaat het om de Noordzee en de Oostzee, de Golf van Biskaje, de rand van het continentaal plat en de diepe Atlantische wateren rond de Azoren en Madeira. Vogels leven er van vis, inktvis en plankton en komen alleen om te broeden aan land: noordse stormvogel, jan-van-gent, Kuhls pijlstormvogel en stormvogeltje.
-
Zee-ijs A8
Drijfijs op zee bij Spitsbergen, Svalbard
5 soorten
Zee-ijs, ijsbergen en alles wat daarbij hoort: drijvend pakijs, losse schotsen, de onderkant van het ijs en de open geulen tussen de platen. Het gaat om het ijs als leefgebied, niet om de waterkolom of de bodem eronder. In Europa ligt het rond Spitsbergen, Frans Jozefland en Nova Zembla en langs de oostkust van Groenland, en elke winter ook in de noordelijke Oostzee en de Witte Zee; de rand trekt zich in de zomer noordwaarts terug en komt in de winter weer omlaag. Aan de onderkant van het ijs groeien algen die krill en vlokreeften voeden en daarmee ook vis. Bij de ijsrand en in de geulen vinden vogels dat voedsel: ivoormeeuw, grote burgemeester en kortbekzeekoet.
Kust B
Alles wat boven de springvloedlijn ligt en zijn karakter ontleent aan de nabijheid van de zee: duinen en beboste duinen, zandstranden, kiezelbanken, zeekliffen en rotskusten, inclusief de strook die alleen nog door opspattend zeewater wordt bereikt. Vloedmerken en vochtige duinvalleien horen erbij, poelen in de rotskust en kustnabije terreinen zonder zoutinvloed niet. EUNIS deelt de groep naar ondergrond: zand, grind of vast gesteente. Voor vogels is het vooral broedgebied, open, slecht bereikbaar en vlak bij het voedsel in zee.
-
Duinen en zandstranden B1
Tràigh Baile Aonghais, Isle of Harris, Schotland
75 soorten
Zandstranden boven de vloedlijn en het hele duinsysteem daarachter: embryonale duintjes, witte duinen, vastgelegde grijze duinen, vochtige duinvalleien en de heide, struwelen en bossen die op oude duinen groeien. Onder de vloedlijn begint het getijdengebied; ligt er grind in plaats van zand, dan valt de kust onder de kiezelstranden, en bij vast gesteente onder de rotskusten. Landduinen ver van zee horen er niet bij. In Europa loopt de gordel van Noorwegen tot de Zwarte Zee, met helm op de jonge duinen en mos, korstmos en schraal grasland op de grijze. Het open zand levert broedplaatsen voor strandplevier en dwergstern, de kruidige duinhellingen voor duinpieper en tapuit.
-
Kiezelstranden B2
Aber Mawr, Pembrokeshire, Wales
6 soorten
Stranden en banken van kiezel, soms van grovere keien, opgeworpen door de golfslag langs de open kust, langs binnenzeeën en langs kustlagunes. Het verschil met het zandstrand zit in de korrel: kiezel houdt geen water vast en waait niet op, zodat er geen duin ontstaat. Anders dan bij een rotskust ligt het materiaal los. In Europa zijn de grootste voorbeelden de schoorwallen van Zuid-Engeland en het Kanaal, de grindstranden van de Oostzee, IJsland en de noordelijke fjorden, en de steile kiezelstranden van de Middellandse Zee. De begroeiing is ijl: zeekool, gele hoornpapaver, zeelathyrus. Vogels broeden er op de kale kiezel, waar hun eieren nauwelijks opvallen: bontbekplevier, dwergstern, grote stern en plaatselijk Dougalls stern.
-
Zeekliffen en rotskusten B3
Handa Island, Sutherland, Schotland
56 soorten
Rotswanden, richels, grotten en rotsplaten die aan zee grenzen of er door een smalle strook van gescheiden zijn, boven de springvloedlijn. Beneden die lijn ligt het rotsgetijdengebied, dat EUNIS marien noemt; los kiezel hoort bij de kiezelstranden. Zowel kale kliffen en rotseilandjes als kliffen met zoutminnende begroeiing vallen eronder, en ook de zachte kliffen van klei en keileem. De zone loopt van Spitsbergen en IJsland langs Noorwegen en Bretagne tot de kalkkliffen van de Middellandse Zee en de vulkanische kusten van Macaronesië, met korstmossen, Engels gras en rotsvenkel op de randen. Voor zeevogels is het de belangrijkste broedplaats van Europa: drieteenmeeuw en zeekoet op de richels, papegaaiduiker en stormvogeltje in holen en spleten, Eleonora's valk op de zuidelijke rotseilanden.
Binnenwater C
Al het open water in het binnenland: rivieren, beken, meren, plassen, poelen en bronnen, met de oevers erbij zolang die zo vaak onderlopen dat er geen gesloten landvegetatie ontstaat. Zowel zoet als brak water telt mee, en ook gegraven water — kanalen, reservoirs, vijvers — zodra er een halfnatuurlijke levensgemeenschap in zit. Blijvende sneeuw en ijs vallen erbuiten. EUNIS deelt de groep in naar stilstaand water, stromend water en de oeverzone daartussen. Voor vogels komt het erop neer dat veel soorten hier broeden, ruien en overwinteren.
-
Stilstaand water C1
Torisevan rotkojärvi, Virrat, Finland
126 soorten
Meren, plassen, poelen en vennen met een open waterspiegel, zoet, brak of zout, van nature ontstaan of gegraven — kanalen, reservoirs en vijvers tellen mee zodra er een halfnatuurlijke levensgemeenschap in leeft. Het onderscheid met stromend water zit in de beweging: hier staat het water, of het verplaatst zich zo traag dat het er niet toe doet. De begroeide oeverrand zelf hoort bij de oeverzone. In Europa loopt de reeks van gletsjermeren in Scandinavië en de Alpen tot laagveenplassen in de delta’s en brakke steppemeren in Zuid-Rusland; diepte, kalkgehalte en voedselrijkdom bepalen wat er groeit. Vogels vinden er vis, waterplanten en bodemdieren, en een oppervlak dat ’s nachts veilig is: fuut, tafeleend, nonnetje en, in het zuidoosten, kroeskoppelikaan.
-
Stromend water C2
Clemgia bij S-charl, Engadin, Zwitserland
36 soorten
Stromend water in al zijn vormen: bronnen, beken, rivieren en waterlopen die alleen na regen of smelt water voeren. Wat het scheidt van stilstaand water is de stroming zelf — zodra het water staat, of achter een stuw tot reservoir wordt, hoort het daarbij; de grindbanken en de oeverbegroeiing vallen onder de oeverzone. In Europa loopt de reeks van steile bergbeken met keien en witwater, via grindrivieren met wisselende beddingen, naar trage laaglandrivieren met slibbodem. Vogels volgen die reeks: waterspreeuw en grote gele kwikstaart in het snelle bovenloopwater, harlekijneend op IJslandse rivieren, kleine plevier op verse grindbanken en ijsvogel langs beschutte, heldere benedenlopen.
-
Oeverzone van binnenwateren C3
Oezero Dobre, Wolynië, Oekraïne
149 soorten
De strook die vaak genoeg onderloopt om gesloten landvegetatie tegen te houden: rietkragen en andere oeverbegroeiing langs meren, rivieren en beken, drooggevallen bodems van rivieren en meren, en de rots, het grind, het zand en de modder in en naast de bedding. Het is de overgang tussen het open water en het land erachter, en het houdt op waar struweel of grasland zich sluit. In Europa varieert het van brede rietmoerassen in de delta’s tot smalle biezenzomen, kale slikranden van leeggelopen stuwmeren en grindige rivierstranden. Riet levert dekking en nestplaats, kale slik levert voedsel: roerdomp, grote karekiet en baardmannetje in het riet, kleine plevier en oeverzwaluw op de open randen.
Venen en moerassen D
De natte gronden waar het water minstens een half jaar op of boven het maaiveld staat en waar kruiden, zeggen of dwergstruiken overheersen; open water, bos en struweel vallen erbuiten. De onderverdeling volgt de herkomst van het water: veen dat alleen regen krijgt, veen dat door grond- of kwelwater wordt gevoed, de gepatroneerde venen van het hoge noorden, riet- en zeggemoeras, en zilte moerassen ver van de kust. Voor vogels zijn dit open, drassige terreinen waar de bodem zacht blijft en dekking laag is.
-
Hoogveen D1
Viru raba, Nationaal Park Lahemaa, Estland
26 soorten
Veen dat door regen wordt gevoed en niet door water dat van hogerop toestroomt: dat is voor EUNIS het onderscheid met laagveen en overgangsveen. De bodem is zuur en voedselarm, en de code geldt ook voor venen die nu niet meer aangroeien. In het laagland van Ierland, de Baltische landen, Polen en Fennoscandinavië liggen ze als koepels boven hun omgeving; in het natte westen van Ierland, Schotland en Noorwegen bedekt het veen als een deken hele hellingen. Veenmos, dophei, wollegras en lavendelhei groeien er, met bulten, slenken en veenputten ertussen. Vogels vinden er open, boomloos broedterrein: goudplevier, regenwulp en kraanvogel broeden op zulk veen, en het Schots sneeuwhoen broedt zowel op zulk veen als op de heidevelden ernaast.
-
Overgangsveen en trilveen D2
Holmtjärnen, natuurreservaat Stockholmsgata, Ångermanland, Zweden
7 soorten
Zwak tot sterk zuur veen dat, anders dan hoogveen, wel water uit de omgeving ontvangt: kwel uit een helling, water in een beekdal, of de overgang tussen land en open water. EUNIS rekent er ook trilveen en niet-kalkrijke bronvenen toe; is het toestromende water kalkrijk, dan valt het terrein onder het basenrijke laagveen. Het gaat om kleine natte laagten in beekdalen en verlandende meertjes, met veenmos, veenpluis, snavelzegge en wateraardbei op zoden die onder de voet meegeven. Voor vogels betekent dat dekking, een hoge waterstand en een moeilijk begaanbaar terrein: poelsnip, porseleinhoen en bokje horen hier thuis.
-
Aapa- en palsavenen D3
Joutsenenpesäaapa bij Sodankylä, Fins Lapland
6 soorten
Gepatroneerde veencomplexen van de arctische, subarctische en noordelijk-boreale zone. Wat ze van gewoon hoogveen onderscheidt is het patroon dat vorst en traag afstromend water in het oppervlak leggen: bij aapavenen langgerekte veenruggen dwars op het verhang met natte flarken ertussen, bij palsavenen heuvels van enkele meters hoog met een ijskern die scheurt en instort, en in de toendra polygoonvenen. Ze liggen in Noord-Fennoscandinavië en Noord-Rusland, met dwergberk en wollegras op de droge delen en zeggen in de natte. De flarken zitten vol muggenlarven en trekken steltlopers: breedbekstrandloper en roodkeelpieper broeden er, moerassneeuwhoen scharrelt in de struiken en laplanduil jaagt vanaf de randen.
-
Basenrijk laagveen D4
Cors Bodeilio, Anglesey, Wales
1 soort
Veen, kwelplekken en begroeide bronnen waar het grondwater kalkrijk of voedselrijk is: in beekdalen, op alluviale vlakten en op hellingen waar water uittreedt. Het peil staat aan of vlak onder het oppervlak, en de veenvorming stopt zodra het zakt. De basenrijkdom van dat water scheidt deze venen van het zure overgangsveen; rietvelden vallen er niet onder. In Europa gaat het om kleine, laag begroeide terreinen met knopbies, parnassia, orchideeën en bruinmossen, en om kalktufbronnen; ontwatering en bemesting hebben het areaal sterk teruggebracht. Vogels broeden er weinig, omdat de percelen klein zijn en hoge dekking ontbreekt; waar zegge en riet naast elkaar staan komt zwartkoprietzanger voor.
-
Riet- en zeggemoeras D5
Federsee, Bad Buchau, Baden-Württemberg, Duitsland
81 soorten
Velden van riet, lisdodde, mattenbies en grote zeggen op natte, vaak venige bodem waar normaal geen open water staat. Dat laatste is de grens: rijzen dezelfde stengels op uit het water langs een plas of rivier, dan rekent EUNIS ze tot de oeverbegroeiing. Zulke moerassen liggen in verlandende meren, oude rivierlopen, polders en delta's — de Donaudelta, de Biebrza, het Neusiedlermeer, de Nederlandse en Baltische laagvenen — vaak vele vierkante kilometers aaneen, met ruigte en wilgenstruweel op de drogere randen. Voor moerasvogels is dit het kerngebied: roerdomp, grote karekiet en baardmannetje broeden in het riet zelf, en bruine kiekendief jaagt er laag overheen.
-
Brakke en zoute moerassen binnendijks D6
Nationalpark Neusiedler See-Seewinkel, Burgenland, Oostenrijk
25 soorten
Zilte en brakke moerassen ver van de kust: de binnenlandse tegenhanger van de kwelders en zilte rietvelden aan zee. De begroeiing kan gesloten of open zijn, maar de bodem moet nat blijven; droogt hij op, dan spreekt EUNIS van zoutsteppe of zilt struweel. Ze ontstaan waar zout in de ondergrond zit en de verdamping de neerslag overtreft: de Pannonische vlakte, de lagunes van La Mancha en het Ebrodal, de steppemeren van Anatolië en de Kaspische laagte. Zeekraal, schorrekruid en kweldergras staan er in vlekken, met zoutaanslag op de kale plekken ertussen. De ondiepten zitten vol pekelkreeftjes en muggenlarven, en dat trekt flamingo, kluut, steltkluut en vorkstaartplevier.
Graslanden E
Alle niet-kustgebonden landschappen die droog zijn of hooguit een deel van het jaar nat, met meer dan dertig procent begroeiing van grassen, kruiden, zeggen, varens, mossen en korstmossen. Akkers vallen erbuiten. De onderverdeling loopt van droge en vochtige graslanden via natte hooilanden en alpiene matten naar bosranden, zoutsteppe en boomweide. Voor vogels is het vooral open, laag terrein waar op de grond gebroed en gefoerageerd wordt, en waar het beheer bepaalt wat er blijft.
-
Droge graslanden E1
Dreisbach bij Ehringshausen, Lahn-Dill-Kreis, Hessen, Duitsland
132 soorten
Goed doorlatende of droge grond met een begroeiing van grassen en kruiden, doorgaans onbemest en weinig productief; ook de steppen met alsem horen erbij. De grens ligt bij de struiken: zodra op mediterrane droge grond struikgewas van andere geslachten meer dan een tiende van de bodem bedekt, spreekt EUNIS van garrigue, en waar de grond vochtiger en voedselrijker wordt, begint het vochtige grasland. In Europa gaat het om kalkhellingen met tijm en schapengras, om Pannonische zandsteppen en om de open steppevlakten van Iberië en Anatolië. De lage, open vegetatie levert dekking op de grond en veel insecten: kleine trap, griel, kalanderleeuwerik en Duponts leeuwerik broeden er.
-
Vochtige graslanden en hooiland E2
Spitzberg bij Limbach, Odenwald, Duitsland
83 soorten
Weiden en hooilanden van laagland en berghellingen op matig tot zeer voedselrijke bodem die niet het hele jaar nat staat, in de boreale, nemorale, warm-gematigde en mediterrane zone. Ze zijn vruchtbaarder dan de droge graslanden en droger dan de natte; ingezaaide en bemeste percelen, sportvelden en gazons vallen er ook onder. In Europa is dit het gewone boerenland: beweide kamgrasweiden, hooilanden met boterbloem en margriet, en de zwaar bemeste raaigraspercelen die daarvoor in de plaats zijn gekomen. Wormen, emelten en insecten maken het aantrekkelijk, al is de maaidatum bepalend voor het broedsucces. Kievit en veldleeuwerik broeden er en de ooievaar loopt er zijn kikkers en muizen bij elkaar; in de winter foerageren kolgans en kramsvogel op dezelfde percelen.
-
Natte graslanden E3
Attenborough Nature Reserve, Nottinghamshire, Engeland
81 soorten
Onbemeste of licht bemeste hooilanden en ruigten op grond die 's winters en in het voorjaar onder water staat of doorweekt is, van de boreale zone tot in het Middellandse Zeegebied en de steppen. De grens met het vochtige grasland ligt bij de grondwaterstand; blijft het water het hele jaar staan, dan gaat het over in moeras en rietland. In Europa zijn het uiterwaarden en polders, dotterbloemhooiland en blauwgrasland, en de tijdelijk overstroomde vlakten van de Pannonische en Iberische laagten. De zachte, doorweekte bodem is goed te doorprikken en zit vol wormen en larven: grutto, tureluur, kemphaan en watersnip zoeken er hun voedsel en broeden op de hogere pollen.
-
Alpiene graslanden E4
Lac Noir, Sainte-Foy-Tarentaise, Savoie, Frankrijk
30 soorten
Gras- en zeggenmatten van de alpiene en subalpiene gordel van de Europese gebergten en van de Kaukasus en Anatolië, zowel de natuurlijke matten boven de boomgrens als de door eeuwenlange beweiding opengehouden weiden daar net onder. Waar de begroeiing te ijl wordt en steen en puin overheersen, houdt de formatie op. Het zijn korte, bloemrijke zoden van zwenkgras en zegge, doorsneden door sneeuwdalletjes en blokvelden, in de Alpen, Pyreneeën, Karpaten, het Scandinavische fjell en de Balkan. Voor vogels telt vooral de zomerse insectenrijkdom en het ontbreken van dekking: morinelplevier, alpensneeuwhoen, waterpieper en sneeuwvink broeden er, en de alpenkauw komt er van hogerop foerageren.
-
Bosranden en ruigten E5
Emmeringer Leite bij Emmering, Opper-Beieren, Duitsland
41 soorten
De kruidachtige zoom tussen bos en open land: bosranden, open plekken en kapvlakten, en de ruigten van hoge kruiden en varens die daar en langs beken opschieten. Struweel en opgaand bos vallen erbuiten, en ook het gemaaide grasland; het gaat juist om de smalle, jaarlijks veranderende overgang. In Europa zijn het adelaarsvaren en braam op kapvlakten, zomen met wilgenroosje en boskruiden, natte ruigten met moerasspirea en subalpiene hoogstaudenvelden met monnikskap. De combinatie van dekking laag bij de grond en uitkijkposten erboven maakt het aantrekkelijk voor zangvogels: grasmus, boompieper, sprinkhaanzanger, tuinfluiter en roodmus broeden er.
-
Zoutsteppe E6
Zoutkorst in de Seewinkel, Nationaal Park Neusiedler See, Burgenland, Oostenrijk
26 soorten
Graslanden en steppen op zoute of gipsrijke bodem in het binnenland, waar het zout bij verdamping als een korst aan de oppervlakte komt. Anders dan bij de kwelders aan zee ligt het zout hier niet aan de getijden maar aan het klimaat en de ondergrond, en anders dan bij de gewone droge steppe is de begroeiing ijl en pleksgewijs open. In Europa gaat het om de Hongaarse szik-poesta, de Ponto-Sarmatische vlakten ten noorden van de Zwarte Zee en de zoutlaagten van Los Monegros en La Mancha, met zeekraal, kweldergras en lamsoor rond ondiepe meren die 's zomers droogvallen. De kale grond en de insectenrijkdom trekken vorkstaartplevier, kalanderleeuwerik, zwartbuikzandhoen en Duponts leeuwerik.
-
Boomweide en dehesa E7
Dehesa in Extremadura, Spanje
49 soorten
Grasland met een verspreide boomlaag die doorgaans minder dan een tiende van de grond bedekt. Sluit het kronendak verder, dan gaat het over in bos; verdwijnen de bomen, dan blijft gewoon grasland over. Het bekendste voorbeeld is de Iberische dehesa of montado: oude steeneiken en kurkeiken op ruime afstand boven een beweide graslaag, met runderen, schapen en varkens eronder. Ook de oude parklandschappen van Engeland en Zuid-Zweden en de boomweiden van Midden-Europa horen erbij. De combinatie van open jachtterrein en holle bomen is voor veel vogels gunstig: Spaanse keizerarend, blauwe ekster, hop en scharrelaar broeden er, en in de winter komt de kraanvogel op de eikels af.
Heide, struweel en toendra F
Het land buiten de kust dat droog is of hooguit een deel van het jaar onder water staat en dat voor meer dan dertig procent begroeid is met struiken, dwergstruiken of toendraplanten; houtige gewassen blijven er onder de vijf meter. De indeling loopt van toendra op permafrost via arctisch, alpien en gematigd struweel en heide naar de mediterrane vormen maquis, garrigue en phrygana, en verder naar oeverstruweel, heggen en struikaanplant. Voor vogels betekent dit dekking en nestgelegenheid dicht bij de grond, in open landschap zonder bos.
-
Toendra F1
Hardangervidda, Noorwegen
48 soorten
Begroeide grond boven permafrost: grassen en zeggen, dwergstruiken, mossen en macrokorstmossen. In Europa blijft dat beperkt tot Spitsbergen en Noord-Rusland. Waar dezelfde planten groeien zonder permafrost, op de boreale bergen en in Fennoscandinavië en IJsland, valt het onder alpien grasland of onder arctisch struweel. Het beeld is laag en open: veenheuvels, natte laagten, duizenden poelen en meertjes, en een groeiseizoen van hooguit tien weken. Juist die korte zomer met veel insecten trekt broedvogels aan. Bonte strandloper, rosse grutto en ijsgors broeden er in dichtheden die verder zuidelijk niet voorkomen; sneeuwuil en kleinste jager volgen de lemmingen.
-
Arctisch en alpien struweel F2
Malá Fatra, Slowakije
31 soorten
Struweel dat boven of ten noorden van de klimatologische boomgrens staat maar buiten de permafrostzone, plus struweel net onder die grens waar bomen het niet redden door langliggende sneeuw, wind of aanhoudende vraat. Die klimatologische begrenzing scheidt het van het gematigde struweel F3. In Fennoscandinavië gaat het om gordels van dwergberk, wilg en jeneverbes achter de berkenzone; in de Alpen, de Pyreneeën en de Kaukasus om alpenroos, blauwe bosbes en kruipende bergden. De struiklaag is dicht genoeg voor een nest en laag genoeg om overzicht te houden. Moerassneeuwhoen, blauwborst, grote barmsijs en beflijster broeden er, en het korhoen baltst op de open plekken.
-
Struweel van gematigde streken en bergen F3
Eselsburger Tal bij Herbrechtingen, Schwäbische Alb, Duitsland
56 soorten
Struweel van de nemorale zone en van de submediterrane en supramediterrane bergen: zomergroene en groenblijvende struiken op plaatsen waar bos is verdwenen of nog niet is teruggekeerd. EUNIS houdt hier de heide met overheersende heideachtigen (F4) en de mediterrane maquis, garrigue en phrygana buiten. Wat overblijft zijn sleedoorn en meidoorn langs perceelsranden, braam- en rozenstruweel op verlaten akkers, hazelaar en jeneverbes op kalkhellingen, en dichte bosranden. Doornige dekking, open plekken en veel insecten leggen nest en voedsel vlak bij elkaar. Grasmus, grauwe klauwier, sperwergrasmus en nachtegaal zijn er kenmerkend, en de zomertortel zoekt er zaad.
-
Heide F4
Lüneburger Heide, Nedersaksen, Duitsland
34 soorten
Heide in strikte zin: struikgemeenschappen waarin heideachtigen overheersen, op zure en voedselarme bodem. Het zwaartepunt ligt in de atlantische en subatlantische zone, van Ierland en Schotland via Nederland en Noord-Duitsland tot Denemarken, met uitlopers in de Iberische en Franse bergen. Dat onderscheidt het van het doornstruweel F3, waar heideachtigen ontbreken; van het arctisch-alpiene struweel F2, dat óók heideachtigen draagt, scheidt niet de plant maar de ligging boven of ten noorden van de boomgrens. Droge struikheide, natte dopheide en gagel wisselen elkaar af, meestal in stand gehouden door begrazing, plaggen of brand. Nachtzwaluw en boomleeuwerik broeden op de kale plekken, de Provençaalse grasmus in de lage struiken; blauwe kiekendief en Schots sneeuwhoen horen bij de uitgestrekte noordelijke heidevelden.
-
Maquis en hoog mediterraan struweel F5
Noordwest-Corsica, Frankrijk
52 soorten
Hoog, gesloten hardbladig struweel van het mediterrane laagland: aardbeiboom, mastiekboom, filirea, mirte, kermeseik en brem staan zo dicht dat de bodem vrijwel geheel bedekt is, met verspreide bomen erboven. Dat hoge en gesloten karakter scheidt maquis van de open, lage garrigue F6. Het bekleedt hellingen die te droog, te steenachtig of te vaak gebrand zijn voor bos, van Portugal tot de Levant. Vogels vinden er het hele jaar dekking en in de nazomer bessen. Kleine zwartkop en westelijke baardgrasmus broeden er talrijk, de Griekse spotvogel in de hoogste opslag, en de havikarend jaagt er op duiven en patrijzen.
-
Garrigue F6
Pinet, Hérault, Frankrijk
35 soorten
Open hardbladig struweel met kale grond tussen de struiken: lage cistusrozen, lavendel, rozemarijn en tijm, veel winterannuellen en voorjaarsbollen, en hier en daar een grotere struik of een losse boom. Die open structuur scheidt garrigue van de gesloten maquis F5. Het ontstaat waar groenblijvend bos is gekapt, begraasd of gebrand, vooral op kalk, en loopt van Iberië en Zuid-Frankrijk tot de Pontische kust en Anatolië. Lage struiken, stenen en open grond naast elkaar leveren zangposten en nestplaatsen met veel uitzicht. Provençaalse grasmus en brilgrasmus houden zich in de laagste struiken op, de theklaleeuwerik op de kale grond, roodkopklauwier en westelijke blonde tapuit op de uitkijkposten.
-
Doornige mediterrane heide (phrygana) F7
Bij Elafonisi, zuidwesten van Kreta, Griekenland
16 soorten
Lage stekelige struiken en kussenvormige dwergstruiken op zomerdroge grond, van de kust tot hoog in droge bergen in het Middellandse Zeegebied en Anatolië. De doornen en de kussenvorm vormen het onderscheid met de garrigue F6, waar cistus en lipbloemigen de toon zetten. Kenmerkend zijn de harde kussens van Sarcopoterium en Astragalus, die in het voorjaar bloeien en in juli verdorren; vrijwel al deze terreinen worden al eeuwen begraasd. Voor vogels telt vooral de dekking vlak boven de grond, tussen scherpe takken. Bruinkeelortolaan, Rüppells grasmus en brilgrasmus broeden er; op Cyprus is de cyprusgrasmus de vaste soort.
-
Thermo-atlantisch struweel F8
Tussen Tasarte en El Hoyo, Gran Canaria, Canarische Eilanden
8 soorten
Xerofiel struweel op de lage, droge hellingen van de Canarische Eilanden en Madeira, rijk aan vetplanten: kandelaarvormige wolfsmelksoorten, rozetvormende Aeonium en houtige composieten. Boven deze zone begint het vochtiger laurierbos en eronder ligt de kust, waarmee de formatie scherp begrensd en tot Macaronesië beperkt is. De begroeiing is laag en open, vaak op lavavelden en verweerde hellingen, en blijft groen in een klimaat met weinig regen. Het aantal soorten is klein, maar sommige komen nergens anders voor. Berthelots pieper is er algemeen, de Canarische roodborsttapuit blijft beperkt tot Fuerteventura, en woestijnvink en westelijke kraagtrap horen bij de droogste, meest open delen.
-
Oever- en moerasstruweel F9
Kerspetal, Bergisches Land, Duitsland
87 soorten
Houtige begroeiing lager dan vijf meter langs rivieren en meren, in laagvenen en op drassige uiterwaarden. De grens ligt bij de hoogte: wordt het bos, dan valt het onder groep G, en waar riet en zeggen het zonder struiken overnemen begint het moeras van groep D. Het beeld is grillig: wilgengrienden en gagelstruwelen in het noorden, zomen van tamarisk en oleander langs mediterrane beddingen die in de zomer droogvallen, en dichte struwelen op grindbanken die bij elk hoogwater verschuiven. Struiken, water en riet liggen er vlak naast elkaar. Cetti's zanger, bosrietzanger en buidelmees broeden er, blauwborst in de natte laagten en roodmus in het oostelijke oeverstruweel.
-
Houtwallen en heggen FA
Le Bény-Bocage, Normandië, Frankrijk
56 soorten
Stroken houtige begroeiing in een landschap van akkers, weiden en wegen, aangelegd om vee te keren, grenzen te markeren of luwte te geven. Ze verschillen van bomenrijen (G5.1) doordat ze uit struiksoorten bestaan of, als er boomsoorten in staan, regelmatig onder de vijf meter worden gehouden. In Europa lopen ze van de bocage van Normandië en Bretagne via Engelse en Ierse heggen tot de houtwallen op de zandgronden. Vaak zijn ze het enige houtige element in open bouwland en dienen ze zowel als broedplaats als als route om zich te verplaatsen. Geelgors, grasmus en braamsluiper broeden erin, de grauwe klauwier jaagt vanaf de toppen en de zomertortel zoekt er dekking.
-
Struikaanplant en wijngaard FB
Bořetice, Zuid-Moravië, Tsjechië
23 soorten
Aanplant van dwergbomen, struiken, leivormen en overblijvende houtige klimplanten, meestal voor fruit of bloemen, bedoeld om als volgroeide teelt houtig te blijven of om regelmatig in zijn geheel te worden geoogst. Wijngaarden vormen het grootste deel, daarnaast laagstamboomgaarden en kwekerijen. Het verschil met heg en houtwal (FA) is dat de teelt hier het hele vlak bedekt en niet een strook vormt. Hoeveel vogels er zitten hangt af van het beheer: oude wijngaarden met kruiden tussen de rijen en muurtjes van droge steen herbergen veel meer dan kaalgespoten percelen. Europese kanarie en cirlgors zingen er vanaf de draden, roodkopklauwier en hop zoeken er insecten, en de ortolaan broedt langs de open randen.
Bos G
Alle begroeiing waarin bomen de kroonlaag bepalen: minstens tien procent bedekking door houtige gewassen die bij volgroeiing vijf meter kunnen halen. Ook recent gekapte of afgebrande percelen horen erbij, zolang er weer bos van wordt. EUNIS deelt de groep in naar bladtype — loofbos, altijdgroen loofbos, naaldbos en gemengd bos — en zet daarnaast bomenrijen, bosjes en jonge aanplant apart. Kroonlaag, ondergroei en dood hout leveren elk hun eigen vogels, en juist die gelaagdheid maakt bos rijk aan broedvogels.
-
Loofbos G1
Berg Pangaion, Macedonië, Griekenland
113 soorten
Bos van zomergroene loofbomen die in de winter hun blad laten vallen. Menging met altijdgroene loofbomen mag, zolang het bladverliezende deel overheerst; zodra naaldbomen meer dan een kwart van de kroonbedekking innemen, rekent EUNIS het tot gemengd bos. Het beslaat het grootste deel van laag- en heuvelland-Europa: eiken- en beukenbos, haagbeuk en linde, berk naar het noorden toe, en langs de rivieren ooibos van els, wilg en populier. De kroon sluit pas in mei, zodat de ondergroei in het voorjaar bloeit. Oude stammen leveren holten en de rupsenrijkdom valt samen met het broedseizoen: middelste bonte specht, fluiter, withalsvliegenvanger en appelvink.
-
Altijdgroen loofbos G2
Fanal, Madeira, Portugal
28 soorten
Bos van breedbladige bomen die hun blad het hele jaar houden: hardbladige soorten als steeneik en kurkeik in het Middellandse Zeegebied, en laurierachtige bomen in het vochtige, warm-gematigde klimaat. Dat onderscheidt het van loofbos, waar het blad in de winter valt, en van naaldbos. Op het vasteland gaat het om donkere, dicht gesloten eikenbossen met een schrale ondergroei van mastiek en steenlinde; op Madeira, de Azoren en de Canarische Eilanden om laurierwoud in de wolkenzone, met epifyten en varens. Eikels en laurierbessen houden er 's winters vogels vast, en de oude kronen bieden nestplaats: blauwe ekster en Spaanse keizerarend in de zuidwestelijke eikenbossen, Bolles laurierduif en trocazduif in het laurierwoud.
-
Naaldbos G3
Satakunta, Finland
95 soorten
Bos waarin naaldbomen de kroonlaag beheersen: sparren, dennen, zilverspar, ceder, jeneverbes en taxus, en de bladverliezende lariks. Nemen loofbomen meer dan een kwart van de kroonbedekking in, dan is het gemengd bos. Het strekt zich uit van de taiga in Fennoscandinavië en Rusland, waar fijnspar en grove den kilometers ver aaneengesloten staan, tot eilanden van zilverspar en zwarte den, waaronder de Corsicaanse, in de Alpen, de Pyreneeën, de Balkan en de Middellandse Zeegebergten. De bodem is zuur en de ondergroei bestaat uit mos, bosbes en heide. Zaad in kegels, dood staand hout en dichte dekking bepalen er de vogelstand: kruisbek, kuifmees, drieteenspecht en auerhoen.
-
Gemengd bos G4
Massief van de Śnieżnik, Sudeten, Polen
78 soorten
Bos waarin naald- en loofbomen samen de kroonlaag vormen en geen van beide groepen boven driekwart van de bedekking uitkomt. Blijft het aandeel naaldhout onder een kwart, dan valt het onder loofbos; blijft het loofhout eronder, onder naaldbos. Het zwaartepunt ligt in de boreonemorale gordel tussen taiga en gematigd loofbos — Zuid-Scandinavië, de Baltische staten, Wit-Rusland en Midden-Rusland — en verder in de bergen van Midden- en Zuid-Europa, waar beuk, zilverspar en fijnspar op één helling staan. De menging levert tegelijk holten in oud loofhout en dekking in dichte naaldkronen op: oeraluil, hazelhoen, witrugspecht en kleine vliegenvanger.
-
Bomenrijen, parkbos en kapvlakten G5
Bij Kilby, Leicestershire, Engeland
97 soorten
Smalle stroken en kleine snippers bos: rijen bomen langs wegen, sloten en akkers, houtwallen met opgaande bomen, bosjes en aanplant van minder dan een halve hectare, en daarnaast percelen die pas gekapt zijn, hakhout en jonge opslag die weer tot bos uitgroeit. Parkland met wijd uiteenstaande bomen valt er niet onder; dat staat bij de graslanden. Het is het bos van het boerenland, in Europa overal aanwezig en meestal beheerd. De rand telt hier meer dan de kern: veel zoom, veel licht, veel insecten, oude knotbomen met holten. Kapvlakten en jonge opslag hebben hun eigen soorten: draaihals, boomleeuwerik, nachtzwaluw en steenuil.
Kaal en schaars begroeid land H
Het land zonder gesloten plantendek: minder dan dertig procent van de bodem is begroeid, en de grond is droog of hooguit een deel van het jaar nat. De onderverdeling volgt de ondergrond en de manier waarop die is ontstaan: puinhellingen, rotswanden en rotsplateaus, sneeuw en ijs, overig kaal land en stuifzand, en terrein van recente vulkanische oorsprong. Voor vogels betekent het weinig voedsel en weinig dekking, maar rust, uitzicht en nestplaatsen die voor grondvijanden slecht te bereiken zijn.
-
Puinhellingen H2
Serra de Rius, Catalaanse Pyreneeën, Spanje
55 soorten
Hellingen van steengruis, grind en blokken die onder rotswanden liggen en door vorst en zwaartekracht in beweging blijven. EUNIS scheidt ze van de rotswand zelf, waar het gesteente op zijn plaats zit, en van stabiel blokveld, morene en stuifzand, die onder H5 vallen. In Europa liggen ze vooral in het hooggebergte — Alpen, Pyreneeën, Karpaten, Balkan, Scandinavië — en in de kalkbergen rond de Middellandse Zee, met materiaal van fijn gruis tot blokken van een meter. De begroeiing is ijl: planten met lange wortelstokken die met het schuivende puin meegroeien. Voor vogels tellen de holtes tussen de stenen. Sneeuwvink en alpenheggenmus broeden diep in zulke spleten, het alpensneeuwhoen vindt er dekking en de alpenkauw zoekt er voedsel.
-
Rotswanden en rotsplateaus H3
Vega de Liordes, Picos de Europa, Spanje
81 soorten
Rotswanden, rotshellingen en kale rotsplateaus in het binnenland: gesteente dat op zijn plaats zit, onbegroeid of hoogstens bezet met korstmossen, mossen en planten in de spleten. Dat onderscheidt de formatie van de puinhelling, waar het gesteente juist is afgebroken en verplaatst. Delen van zeekliffen waar geen zoutspray meer komt horen er wel bij, vers vulkanisch gesteente niet. In Europa gaat het om kalksteenkloven en karstplateaus, granietkoppen, canyonwanden en de wanden van het hooggebergte. Voor vogels is de nestplaats het belangrijkst: richels en holten die vanaf de grond onbereikbaar zijn. Vale gier, slechtvalk en alpengierzwaluw broeden op de richels, terwijl rotskruiper en blauwe rotslijster hun voedsel op de wand zelf zoeken.
-
Sneeuw en ijs H4
Gletsjertong van de Vatnajökull, IJsland
3 soorten
Terrein dat het hele jaar onder sneeuw of ijs ligt: gletsjers, ijskappen en sneeuwvelden die ook in de zomer niet wegsmelten. Daar ligt de grens met de kale rots en het puin eromheen, die in de zomer wel vrijkomen; zee-ijs valt buiten deze groep. In Europa gaat het om de Alpen en de Kaukasus, de ijskappen van IJsland en Noorwegen, Spitsbergen en Nova Zembla. Planten groeien er niet, wel algen in de sneeuw, en insecten waaien er met de wind op. Broeden gebeurt er nauwelijks; de ivoormeeuw nestelt wel op nunataks en rotsen tussen de gletsjers, en sneeuwvink en Kaukasisch berghoen zoeken hun voedsel op de rand van het smeltende sneeuwveld.
-
Kaal land en stuifzand H5
Castildetierra, Bardenas Reales, Navarra, Spanje
79 soorten
De restcategorie van de hoofdgroep: kaal of nauwelijks begroeid binnenland dat geen rotswand, puinhelling, sneeuwveld of vers vulkanisch terrein is. EUNIS rekent er onder meer stuifzand en binnenlandse duinen toe, morenen en blokvelden, steenwoestijn en kale steppebodem, verbrande grond en kaalgetrapte plekken; verharde stadsgrond hoort bij hoofdgroep J. In Europa loopt dat van de zandvlakten en sandurs van IJsland tot de hamada en reg van de Levant, met daartussen de kale zand- en grindsteppen van Iberië, Anatolië en de Pannonische vlakte. Vogels vinden er weinig dekking en broeden op de grond, meestal sterk gecamoufleerd. Renvogel, witbandleeuwerik en zwartbuikzandhoen brengen er hun hele bestaan door.
-
Vulkanisch terrein H6
Lavaveld en sintelkegels in Timanfaya, Lanzarote, Canarische Eilanden
2 soorten
Gesteente, blokkenvelden, as en losse afzettingen die door recente of nog voortdurende vulkanische activiteit zijn ontstaan, onbegroeid of bezet met korstmossen, mossen en een ijle begroeiing van kruiden en struiken. De herkomst is hier het criterium: dezelfde blokken zouden bij puinhelling of rotswand horen als ze niet vers vulkanisch waren. In Europa gaat het om de lavavelden en asvlakten van IJsland, de hellingen van de Etna en de Vesuvius, Santorini en Nisyros, en de malpaís van de Canarische Eilanden. De bodem is poreus en houdt weinig water vast, waardoor de begroeiing decennialang open blijft. Berthelots pieper broedt op zulk terrein en de renvogel loopt over de vlakke asvelden.
Akkers en tuinen I
Alles wat door regelmatig ploegen of spitten in stand wordt gehouden, en grond die pas geleden nog werd bewerkt: bouwland, moestuinen, siertuinen en parken. Ook akkers die onder water worden gezet, zoals rijstvelden, horen erbij. Boomgaarden, boomkwekerijen en aanplant van bomen vallen erbuiten, evenals gazons en sportvelden. EUNIS onderscheidt twee formaties: akkers en moestuinen, en tuinen en parken. Het zijn door mensen gemaakte leefgebieden, en wat ze voor vogels waard zijn hangt vooral af van hoe intensief er wordt geteeld.
-
Akkers en moestuinen I1
Bij Trendelburg, Hessen, Duitsland
221 soorten
Land dat is ingezaaid met gewassen die jaarlijks of met vaste tussenpozen worden geoogst en dat geen bomen of struiken draagt: granen, zonnebloemen en andere oliezaden, bieten, aardappelen, peulvruchten en voedergewassen. Boomgaarden en blijvend grasland vallen af; braakliggende en pas geploegde akkers horen er wel bij, en ook natte teelten als de rijstvelden van de Po-vlakte en de Guadalquivir. De schaal loopt uiteen van kavels van tientallen hectaren tot smalle stroken met onkruidzomen en hagen, en juist die randen bepalen wat er aan vogels zit. Veldleeuwerik en grauwe gors broeden in het gewas zelf, de grauwe kiekendief jaagt en nestelt in graan, en in de winter grazen kolgans en kraanvogel op de stoppels.
-
Tuinen en parken I2
Oosterpark, Amsterdam, Nederland
123 soorten
Bewerkte grond in tuinen en parken: moestuinen, siertuinen, plantsoenen op stadspleinen en de grotere aangelegde parken. Volkstuinen rekent EUNIS niet hierbij maar bij de akkers, en gazons en sportvelden vallen onder het grasland. Wat overblijft is een mengsel van gemaaid gras, borders, hagen, sierheesters en aangeplante bomen, vaak uitheems, met in oude stadsparken zware stammen, holten en dood hout. Voor vogels werkt dat als een bosrand: dekking op verschillende hoogten, nestgelegenheid en het hele jaar door voedsel uit bessenstruiken en van voedertafels. De merel broedt er in hogere dichtheden dan in bos, zwartkop en pimpelmees in dichtheden die met bos vergelijkbaar zijn, de grote bonte specht hakt in de oude bomen, en in strenge winters komt de pestvogel op de bessen af.
Bebouwd en industrieel J
Alles wat gebouwd of aangelegd is: steden en dorpen, losse bebouwing op het platteland, groeven en mijnen, wegen, spoor en ander verhard terrein, kunstmatige wateren met een gemetselde bodem of sterk vervuild water, en stortplaatsen. Verlaten ondergrondse mijnen horen er niet bij; die staan bij de grotten. De groep is verdeeld in zes formaties, J1 tot en met J6, van dichte stadsbebouwing tot vuilstort. Voor vogels werken deze plekken vooral als vervanging van rots, klif en kale grond, en als voedselbron.
-
Stad en dorp J1
Kulmbach, Beieren, Duitsland
63 soorten
De dichte bebouwing van steden, dorpen en buitenwijken: woonhuizen, kantoren, kerken, fabriekshallen, muren, daken en bouwputten, met de verharding daartussen. Wat het scheidt van de losse bebouwing is de dichtheid: waar tussen de gebouwen nog akker of weiland overheerst, hoort het bij de losse bebouwing. Tuinen en parken worden apart geteld. Wat gebouwen voor vogels doen, is rots nabootsen: nissen, dakranden, spouwen, schoorstenen en pannendaken dienen als nesthol en richel. Gierzwaluw en huismus broeden onder daken, zwarte roodstaart op platte daken en bouwterreinen, slechtvalk op kerktorens en flatgebouwen, en aan de Noordzee zit drieteenmeeuw op vensterbanken van pakhuizen.
-
Erven en losse bebouwing J2
Holmstadengen, Østre Toten, Noorwegen
41 soorten
Losse bebouwing op het platteland: boerderijen, schuren, stallen, kapellen, verspreide huizen en de muren en hekken daaromheen. Het onderscheid met de dichte bebouwing zit niet in het gebouw maar in wat eromheen ligt — hier houdt land, erf of boomgaard de overhand en staan de gebouwen uit elkaar. In Europa gaat het van gemengde bedrijven in het noordwesten tot stenen gehuchten rond de Middellandse Zee. Open stallen, ongestoorde zolders en insecten boven het erf leveren nestplaatsen die in de stad ontbreken: boerenzwaluw en huiszwaluw onder de dakrand, kerkuil en steenuil in schuur en knotwilg, en ooievaar op het dak van de boerderij.
-
Groeven en mijnen J3
Duinger Berg bij Marienhagen, Nedersaksen, Duitsland
10 soorten
Groeven en mijnen die in gebruik zijn of pas verlaten: steengroeven, zand- en grindafgravingen, dagbouwmijnen, stortbergen en het terrein daaromheen. Zodra een groeve dichtgroeit of volloopt, gaat hij op in het bijbehorende natuurlijke type; verlaten ondergrondse mijnen rekent EUNIS bij de grotten. Wat er ligt is kaal en steil: verse wanden van kalksteen, leem of zand, puinhellingen, plassen op de bodem en weinig begroeiing. Juist die steilte trekt vogels die elders op kliffen en oevers broeden. Oeverzwaluw graaft in zandwanden, bijeneter in lemige taluds, kleine plevier broedt op het kale grind en oehoe op een richel in de wand.
-
Wegen, spoor en verhard terrein J4
Autobahnkreuz Leverkusen-West, Duitsland
18 soorten
Het harde oppervlak zelf: wegen, parkeerterreinen, spoorlijnen, verharde paden en de banen en platformen van vliegvelden, havens en recreatieterreinen. Bermen, spoortaluds en andere begroeide randen horen bij de graslanden of ruigten, niet hierbij; het gaat om asfalt, beton, klinkers en ballast. Zulke vlakken zijn warm, open en schaars begroeid, en lijken daarin op steppe of kiezelstrand. Kuifleeuwerik broedt op industrieterreinen en langs spoorlijnen, zwarte roodstaart zingt vanaf lantaarnpalen en daken, torenvalk jaagt boven wegbermen en steenloper zoekt langs kades en pieren tussen het aanspoelsel.
-
Aangelegde wateren J5
Embalse de Guadalcacín, Cádiz, Spanje
102 soorten
Binnenwateren met een volledig aangelegde bodem of met zwaar vervuild water, plus de leidingen, bassins en tanks die erbij horen; zoutpannen aan de kust vallen er ook onder. Door mensen gemaakte wateren die zich half-natuurlijk gedragen — plassen, vijvers en kanalen met een bodem van zand of veen — blijven bij de stilstaande en stromende wateren van groep C. Het gaat dus om betonnen reservoirs, bezinkbassins, viskwekerijen en de vlakken van salinas. Ondiep, zout en voedselrijk water levert wormen en pekelkreeftjes in grote hoeveelheid, en dat trekt steltlopers en sterns: flamingo, steltkluut, strandplevier en dwergstern in de zoutpannen, witkopeend op oude bezinkvijvers.
-
Vuilstort J6
Vuilstort bij Thessaloniki, Griekenland
16 soorten
Het gestorte afval zelf: vuilstorten, belten, slibvelden en hopen restmateriaal uit huishoudens, industrie en landbouw. Niet het bedrijf dat het afval maakt telt mee, maar de plek waar het blijft liggen; groeit een oude stort dicht, dan gaat hij over in ruigte of struweel. In Europa loopt dat van afgedekte stortplaatsen met gasafvang in het noordwesten tot open belten bij steden in het zuiden en zuidoosten. Voor aaseters en opportunisten is zo'n plek een vaste voedselbron die het hele jaar bereikbaar is; ze komen er met honderden tegelijk. Zilvermeeuw en geelpootmeeuw overheersen, met zwarte wouw, raaf en in het zuiden aasgier ertussen.
Indeling: EUNIS Habitat Classification (Europees Milieuagentschap), de A–J-versie. De Engelse namen zijn die van EUNIS; de Nederlandse en Spaanse zijn voor deze gids vertaald. De beschrijvingen zijn voor deze gids geschreven op grond van de EUNIS-factsheets, waarnaar per leefgebied wordt verwezen.