Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Amerikaanse meerkoet
Amerikaanse meerkoet | Fulica americana
American Coot | Gallareta americana
De Amerikaanse meerkoet is een gedrongen, leigrijze ral met een witte snavel die als een eend op open water zwemt en duikt. Op de eilanden leeft een standvogelpopulatie waarvan veel vogels een geheel wit voorhoofdsschild hebben; die werd lang als aparte soort beschouwd, de Caribische meerkoet, maar sinds 2016 tot de Amerikaanse meerkoet gerekend, omdat het kenmerk ook op het vasteland voorkomt. In de winter komen er trekvogels uit Noord-Amerika bij.
Geluid
Een gevarieerd repertoire van korte, gesmoorde en knorrende roepen, zoals een droog poek of poenk, en reeksen kakelende tonen. Rond de nestplaats en bij ruzies op het water klinken snelle, schelle reeksen; ook 's nachts roepen de vogels.
Opname: Max Noack — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
34–43 cm, rond en kortstaartig, met een kleine kop. Het verenkleed is egaal donker leigrijs, kop en hals bijna zwart. De snavel is wit met een donkere band vlak voor de punt. Het voorhoofdsschild is wit of heeft bovenaan een roodbruine verdikking; bij de vogels van de eilanden is het vaak geheel wit en groter, en loopt het verder over de kruin. Aan weerszijden van de staart zijn witte onderstaartdekveren te zien. De poten zijn groengeel, met gelobde tenen. In de vlucht toont de vleugel een smalle witte achterrand. Jonge vogels zijn lichter grijs, met een grijswitte keel en hals en een doffe snavel; donsjongen zijn zwart met een oranjerode kop.
Verwarringssoorten
Het waterhoen Gallinula chloropus is kleiner, met een rode snavel en een rood schild, een witte flankstreep en een bruine rug. De dikbekfuut Podilymbus podiceps zwemt en duikt op dezelfde plassen, maar is bruin, heeft een dikke, lichte snavel en ligt met een vlakke rug laag in het water.
Leefgebied
Open zoetwatermeren en vijvers, waterbekkens, zuiveringsvijvers, brakke en zoute lagunes en binnenmeren, en de open delen van moerassen en rijstvelden. Zwemt en duikt naar waterplanten, en graast ook op gras langs de oever. Buiten de broedtijd vaak in groepen, op grotere plassen soms met honderden bij elkaar. Het nest is een drijvend platform van plantenmateriaal, verankerd in riet of biezen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op de Bahama's, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de ABC-eilanden en San Andrés, en plaatselijk op de Kleine Antillen, onder meer op Sint Maarten, Guadeloupe, Antigua en Barbados. Wintergasten uit Noord-Amerika vooral in het noorden van het gebied, op de Bahama's en Cuba. Op Trinidad en Tobago schaars en onregelmatig. Buiten het gebied van het zuiden van Canada door de Verenigde Staten en Mexico tot in Midden-Amerika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Grotere open plassen, waterbekkens en zuiveringsvijvers zijn het meest kansrijk; in de winter zijn de groepen daar het grootst. Het schild is het best te bekijken bij vogels die op de oever grazen. De standvogels met een geheel wit schild zijn niet zonder meer van Noord-Amerikaanse wintergasten te onderscheiden, omdat ook die een wit schild kunnen hebben.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De Caribische standvogels zijn op een aantal eilanden schaars en verliezen plaatselijk leefgebied door het droogleggen en bebouwen van wetlands; jacht en verstoring spelen eveneens een rol. De soort maakt anderzijds gebruik van waterbekkens en zuiveringsvijvers.
Wetenschappelijke naam
Fulica americana | Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fulica werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Fulica is het Latijnse woord voor 'meerkoet'. americana is Latijn voor 'Amerikaans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Noord-Amerika.




