Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Waterhoen
Waterhoen | Gallinula chloropus
Common Moorhen | Gallineta común
Het waterhoen is de algemeenste ral van het Caribisch gebied en op bijna elk eiland te vinden waar zoet of brak water met oeverbegroeiing ligt. Het zwemt als een eend, met knikkende kop en opgewipte staart, maar heeft geen zwemvliezen en loopt ook over drijvende planten en langs de oever. De Amerikaanse vogels worden tegenwoordig meestal als aparte soort beschouwd, het Amerikaans waterhoen Gallinula galeata; in deze gids staan ze onder de oude, ruimere opvatting.
Geluid
Een uitgebreid repertoire van kakelende en tokkende geluiden. Bekend zijn een explosief, rollend krrruk en een reeks snelle, hoenderachtige kek-kek-kek-roepen die vertragen en in klagende tonen eindigen. Bij verstoring blaast de vogel; ook 's nachts wordt geroepen.
Opname: Roger Ahlman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
32–35 cm, gedrongen, met een korte staart en lange tenen. Kop, hals en onderdelen zijn leigrijs, de rug en vleugels olijfbruin. Een onderbroken witte streep loopt langs de flank, en bij de opgewipte staart vallen twee witte vlakken aan weerszijden van een zwart midden op. Snavel en voorhoofdsschild zijn rood, de snavelpunt is geel. Bij de Amerikaanse vogels is het schild breed en aan de bovenkant recht afgesneden. De poten zijn geelgroen, met een rode ring boven het hielgewricht. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn grijsbruin met een lichte keel, een witachtige flankstreep en een donkere snavel zonder rood schild; donsjongen zijn zwart met een roodachtige snavelbasis.
Verwarringssoorten
De Amerikaanse meerkoet Fulica americana is groter, egaal donkergrijs en heeft een witte snavel, geen flankstreep en gelobde tenen. Het Amerikaans purperhoen Porphyrio martinica is paarsblauw en groen, met een lichtblauw schild en gele poten; jonge purperhoenders zijn bruiner en lichter dan jonge waterhoenders, met groenige vleugels en zonder witte flankstreep.
Leefgebied
Vijvers, meren, kanalen, sloten, rivieroevers, rijstvelden, zuiveringsvijvers en de randen van zoetwatermoerassen, mits er dekking is van riet, biezen of drijvende planten; ook brakke plassen achter mangrove. Het eet waterplanten, zaden, slakken, insecten en andere kleine dieren, zwemmend, lopend over drijvende vegetatie of grazend op de oever. Het nest is een kom van plantenmateriaal in de oeverbegroeiing, vaak net boven het water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden, vrijwel alle eilanden van de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. Op kleine, droge eilanden zonder zoet water ontbreekt de soort of is ze beperkt tot enkele plassen. Buiten het gebied, in de Amerikaanse opvatting, van het zuidoosten van Canada en de Verenigde Staten door Mexico en Midden-Amerika tot in Argentinië.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Vrijwel elke vijver met oeverbegroeiing is kansrijk, ook in stads- en hotelparken en bij golfbanen, waar de vogels vaak aan mensen gewend zijn. Een zwemmende vogel is te herkennen aan het knikken van de kop en de wippende staart met de witte onderstaartvlekken. Jonge vogels zijn op de flankstreep en de onderstaart van jonge purperhoenders te onderscheiden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort past zich goed aan door de mens aangelegd water aan, zoals waterbekkens, rijstvelden en zuiveringsvijvers. Plaatselijk verdwijnt leefgebied door het droogleggen en opvullen van wetlands, en op sommige eilanden worden de vogels bejaagd.
Wetenschappelijke naam
Gallinula chloropus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fulica Chloropus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gallinula werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Gallinula is Latijn voor 'hoentje', een verkleinwoord van gallina 'hen'. chloropus is Grieks, van khlōros 'groen' en pous 'voet', naar de groengele poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Engeland.




