Alle soorten › Spechtachtigen › Spechten › Antillendwergspecht
Antillendwergspecht | Nesoctites micromegas
Antillean Piculet | Carpinterito antillano
De Antillendwergspecht komt alleen op Hispaniola voor en is de enige soort van het geslacht Nesoctites, een oude, eigen tak binnen de spechten. Hij is de grootste dwergspecht, maar gedraagt zich weinig als een specht: hij hakt nauwelijks, roffelt niet en gebruikt zijn korte staart niet als steun. Meestal zoekt hij in dicht struikgewas en lianen naar insecten, eerder als een zanger dan als een specht.
Geluid
Een luide, snelle, wat kakelende reeks kuk-ki-ki-ki-ke-ku-kuk, die als contact- en territoriumroep dient en vaak het eerste teken van de vogel is. Bij onrust droge pit- en pjoe-roepen. Roffelt niet.
Opname: Johan Chaves — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
14–16 cm, gedrongen, met een korte staart en een korte, puntige donkere snavel. De bovendelen zijn olijfgroen. De onderdelen zijn lichtgeel met zware donkere olijfkleurige strepen en vlekken. Het gezicht is grijsachtig met fijne strepen. Het mannetje heeft een citroengele kruin met een oranjerode vlek in het midden; het vrouwtje is iets groter en heeft een gele kruin zonder rood. Jonge vogels zijn doffer en hebben eerder vage bandering dan strepen op de onderdelen.
Verwarringssoorten
De Hispaniolaspecht Melanerpes striatus is veel groter, met een zwart-geel gebandeerde rug, rood op de kop en een lange snavel, en hakt op stammen. De geelbuiksapspecht Sphyrapicus varius, een wintergast, heeft een zwart-wit kopje en een witte vleugelstreep. Door de olijfgroene bovendelen en gestreepte gele onderdelen kan de soort aan een zanger of vireo doen denken, maar de vorm en de kruintekening zijn kenmerkend.
Leefgebied
Droog en vochtig loofbos, pijnbos, halfdroog struweel en doornbos, ook mangrove en soms boomgaarden; vooral waar dichte ondergroei en lianen zijn. Zoekt in de lagere lagen langs dunne takken en twijgen naar insecten, vooral mieren en kevers, die hij eerder van het oppervlak pikt dan uit het hout hakt. Broedt van februari tot juli in een zelfgehakte holte, meestal laag boven de grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Alleen op Hispaniola, in Haïti en de Dominicaanse Republiek, waar de nominaatvorm over het hele eiland voorkomt waar bos of struweel staat. De ondersoort Nesoctites micromegas abbotti leeft op het Haïtiaanse eiland Gonâve. Buiten Hispaniola komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het beste te vinden op de roep in droog bos en struweel, bijvoorbeeld in het zuidwesten van de Dominicaanse Republiek. De vogel zit vaak verscholen in dichte begroeiing; geduld bij een roepende vogel is nodig voordat hij zichtbaar wordt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is vrij algemeen en komt ook voor in secundair bos en struweel, al gaat op Hispaniola veel bos verloren.
Wetenschappelijke naam
Nesoctites micromegas | (Sundevall, 1866)
Sundevall beschreef de soort in 1866 als Picumnus micromegas; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nesoctites werd in 1890 ingevoerd door Hargitt. Nesoctites is Grieks, van nēsos 'eiland' en vermoedelijk oikētēs 'bewoner': 'eilandbewoner', naar het voorkomen op Hispaniola. micromegas is Grieks, van mikros 'klein' en megas 'groot': 'klein-groot', een speelse naam voor deze grote dwergspecht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hispaniola (oorspronkelijk abusievelijk 'Brazilië').




