Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Antillenlijster

Antillenlijster | Turdus lherminieri

Forest Thrush | Zorzal antillano

De Antillenlijster is een bruine, sterk geschubde lijster van de regenwouden van vier eilanden in de Kleine Antillen. Hij leeft op en dicht bij de bosbodem en is schuw. Elk eiland heeft een eigen ondersoort. Op Guadeloupe heet hij grive à pieds jaunes en is hij een traditioneel jachtwild.

Antillenlijster (Turdus lherminieri)
Foto: AlpMar — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit zachte, heldere en welluidende tonen. De roep is een scherp tsjoek of tsjoek-tsjoek.

Luister: ZangXC1091023

Opname: Valentin Monnoy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

25–27 cm, vrij gedrongen, met een kortere staart dan de meeste Turdus-soorten. Kop en bovendelen zijn warm bruin, met fijne witte streepjes op wang en oorstreek. De onderdelen zijn witachtig met grote, bruin omzoomde donkerbruine schubben op borst en flanken, waardoor de onderzijde gevlekt tot geschubd lijkt. Snavel, brede oogring, iris en poten zijn geel. De seksen zijn gelijk. De vogels van Dominica en Saint Lucia zijn kleiner; die van Dominica donkerder, die van Saint Lucia met grotere, meer bleekgele schubben.

Verwarrings­soorten

De witoogspotlijster Margarops fuscatus heeft een witte iris, een zware lichte snavel en donkere poten en zit vaker hoog en in de open. De geschubde spotlijster Allenia fusca is kleiner, met een donkere snavel, een witte vleugelstreep en geen gele oogring. De naaktooglijster Turdus nudigenis, op Saint Lucia en sinds kort noordelijker, heeft een effen grijsbruine, ongeschubde onderzijde. Op Dominica is de oostelijke roodpootlijster Turdus ardosiaceus grijs, met rode poten en snavel.

Leefgebied

Primair en ouder secundair altijdgroen bos, van zeeniveau tot ongeveer 1000 m, maar vooral op middelhoge en hogere hellingen; ook natte ravijnen en bosranden met dichte ondergroei. Foerageert in het strooisel op ongewervelden en eet vruchten, ook in boomkronen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen in de Kleine Antillen: Montserrat (vooral de Centre Hills), Guadeloupe (vooral Basse-Terre), Dominica en Saint Lucia, elk met een eigen ondersoort. Op Saint Lucia zeldzaam. Van de andere eilanden niet bekend.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het Nationaal Park van Guadeloupe op Basse-Terre en de bossen rond Morne Diablotin op Dominica bieden de beste kansen, in de vroege ochtend langs rustige bospaden, of bij vruchtdragende bomen. De roep verraadt de vogel vaak eerder dan hij zichtbaar wordt.

Staat van instandhouding

Gevoelig volgens de IUCN; de populatie neemt af. Bedreigingen zijn ontbossing en houtkap, de jacht op Guadeloupe, ingevoerde predatoren, orkanen en op Montserrat de vulkaanuitbarstingen sinds 1995, die een groot deel van het bos vernietigden.

Wetenschappelijke naam

Turdus lherminieri | de Lafresnaye, 1844

De Lafresnaye beschreef de soort in 1844 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Turdus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. lherminieri eert de Franse apotheker en natuuronderzoeker Félix Louis L'Herminier (1779–1833), die jarenlang de natuur van Guadeloupe bestudeerde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guadeloupe.