Alle soorten › Kolibries en gierzwaluwen › Kolibries › Bahamaboself

Bahamaboself | Nesophlox evelynae

Bahama Woodstar | Colibrí de las Bahamas

De Bahamaboself is een kleine kolibrie die alleen in de Lucayaanse archipel voorkomt en daar op vrijwel elk bewoond eiland in tuinen te zien is. Het mannetje heeft een glanzend paarse keel met een witte band eronder en een diep gevorkte staart. De vogels van Great en Little Inagua worden tegenwoordig als aparte soort beschouwd, de Inaguaboself.

Bahamaboself (Nesophlox evelynae)
Foto: New Jersey Birds — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Korte tsjip-roepjes, een scheldend gekwetter bij achtervolgingen en een hoge, langgerekte zang die tot een halve minuut kan duren.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

8–9,5 cm, met een korte, licht gebogen zwarte snavel. Van boven groen tot goudgroen, met bruinige vleugels. Het mannetje heeft een glanzend magenta- tot paarse keel, die in de schaduw donker lijkt, met daaronder een witte borstband; de flanken zijn groen en kaneelbruin gemengd. De staart is diep gevorkt, zwartpaars met kaneelbruin aan de binnenvlaggen. Het vrouwtje heeft een grijswitte keel, een lichte borst, een kaneelkleurige buik en flanken en een afgeronde staart, kaneelbruin met een zwarte band.

Verwarrings­soorten

De Cubaanse smaragdkolibrie Riccordia ricordii op Grand Bahama, Abaco en Andros is groter en geheel groen (mannetje) of grijs (vrouwtje) van onderen, met een lange, gevorkte groenzwarte staart. Het vrouwtje van de robijnkeelkolibrie Archilochus colubris, een wintergast in het noorden van de Bahama’s, heeft een witte keel en een grijze buik zonder kaneel, en witte staartpunten. De Inaguaboself Nesophlox lyrura is alleen op Inagua te verwachten.

Leefgebied

Tuinen en parken, kuststruweel, droog laaglandstruweel en droog bos, secundaire begroeiing, bosranden en pijnbos. Komt in dorpen en steden algemeen voor bij bloeiende struiken en voerflessen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Endemisch in de Lucayaanse archipel: verspreid over vrijwel alle eilanden van de Bahama’s behalve Great en Little Inagua, en op de Turks- en Caicoseilanden. Daarbuiten enkele keren als dwaalgast in Florida en eenmaal in Pennsylvania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Op New Providence en de andere grotere eilanden in tuinen met bloeiende struiken, ook in Nassau. Het mannetje voert in het broedseizoen, vooral rond april, slingervluchten en duikvluchten uit voor het vrouwtje.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en goed aangepast aan tuinen en andere door mensen gevormde terreinen.

Wetenschappelijke naam

Nesophlox evelynae | (Bourcier, 1847)

Bourcier beschreef de soort in 1847 als Trochilus Evelynae; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Nesophlox werd in 1910 ingevoerd door Ridgway. Nesophlox is Grieks, van nēsos 'eiland' (de Bahama's) en phlox 'vlam': 'eilandvlam'. evelynae eert een zekere Evelyn die nooit is geïdentificeerd; mogelijk een kleindochter van de kolibrieverzamelaar George Loddiges. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nassau, New Providence, Bahama's.