Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Bahamadikbekje
Bahamadikbekje | Melopyrrha violacea
Greater Antillean Bullfinch | Gallito prieto
Het bahamadikbekje is het wijdst verbreide van de grote Antilliaanse dikbekjes, met een zware snavel waarmee het harde zaden kraakt. Ondanks de Nederlandse naam leeft het niet alleen op de Bahama's maar ook op de Turks- en Caicoseilanden, Jamaica en Hispaniola; de Engelse naam Greater Antillean Bullfinch geeft dat beter weer. In de Dominicaanse Republiek heet het gallito prieto.
Geluid
Dunne, hoge, wat insectachtige roepjes, bijvoorbeeld tsiet. De zang is een korte reeks van zulke dunne, gonzende tonen.
Opname: Paul Driver — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
13–18 cm, met een zware, kegelvormige zwarte snavel. Het mannetje is zwart met een oranjerode wenkbrauwstreep, een oranjerode keel en oranjerode onderstaartdekveren. Het vrouwtje lijkt erop maar is doffer. Jonge vogels hebben dezelfde tekening, maar zijn grijs tot olijfkleurig in plaats van zwart. Er zijn vijf ondersoorten, die vooral in grootte en de tint van het rood verschillen.
Verwarringssoorten
Binnen het verspreidingsgebied weinig verwarring mogelijk. De glanskoevogel Molothrus bonariensis is glanzend zwart zonder rood, met een spitsere snavel; de Antilliaanse troepiaal Quiscalus niger is veel groter met een lange staart en lichte ogen. Het Cubaans dikbekje Melopyrrha nigra is kleiner, zonder rood en met wit langs de vleugel; het Puerto Ricaans dikbekje Melopyrrha portoricensis en het Antillendikbekje Loxigilla noctis lijken sterk op deze soort, maar komen buiten haar verspreidingsgebied voor.
Leefgebied
De ondergroei van bos, vooral op middelhoge en grote hoogte op Jamaica en Hispaniola: vochtig en halfgroen bos, bergregenwoud en nevelwoud, pijnbos en droog loofbos; op de Bahama's en de Turks- en Caicoseilanden vooral dicht droog loofbos en kustbegroeiing. Ook in sterk aangetast voormalig bos. Het eet vruchten, bloemknoppen en zaden, die het met de zware snavel openbreekt.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op de noordelijke en centrale Bahama's (ondersoort violacea), op de zuidelijke Bahama's en de centrale en oostelijke Turks- en Caicoseilanden (ofella), op Jamaica (ruficollis) en op Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) met de omliggende eilanden, waaronder Île de la Tortue, Gonâve, Saona, Beata en Île-à-Vache (affinis en maurella). Buiten het gebied komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Op Jamaica algemeen in de Blue Mountains en in Cockpit Country; in de Dominicaanse Republiek in de bossen van de Sierra de Bahoruco. Op de Bahama's het best in dicht loofbos. De vogel foerageert vaak laag en stil; bij vruchtdragende struiken of op een geluid van dichtbij is hij het best te zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is wijdverbreid en past zich ook aan secundair bos en aangetaste bosgebieden aan.
Wetenschappelijke naam
Melopyrrha violacea | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Loxia violacea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Melopyrrha werd in 1853 ingevoerd door Bonaparte. Melopyrrha combineert Grieks melas 'zwart' met Pyrrhula, het geslacht van de goudvinken: een 'zwarte goudvink'. violacea is Latijn voor 'violet', naar de paarsachtige glans op het zwarte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bahama's.






