Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Baltimoretroepiaal
Baltimoretroepiaal | Icterus galbula
Baltimore Oriole | Turpial de Baltimore
De Baltimoretroepiaal broedt in het oosten van Noord-Amerika en overwintert vooral in Midden-Amerika en het noordwesten van Zuid-Amerika. Het Caribisch gebied ligt aan de rand van zijn trekroute: op de Grote Antillen en in de Bahama's is hij een schaarse doortrekker en wintergast, verder naar het oosten en zuiden een zeldzame gast.
Geluid
De zang, ook in de winter soms te horen, bestaat uit heldere, fluitende tonen in korte, onregelmatige frasen. De roep is een droog, ratelend tsjatter en een fluitend hie-lie.
Opname: Bobby Wilcox — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
17–22 cm. Het adulte mannetje heeft een geheel zwarte kop, keel en rug en vurig oranje onderdelen, stuit en schouders. De vleugels zijn zwart met een oranje schoudervlek en een witte vleugelstreep; de staart is zwart met oranje buitenhoeken. Het vrouwtje en de jonge vogel zijn olijfbruin tot grijsbruin op kop en rug, met geeloranje tot oranje borst, een lichtere buik en twee witte vleugelstrepen; sommige vrouwtjes hebben wat zwart op kop en keel. De snavel is spits en blauwgrijs.
Verwarringssoorten
De tuintroepiaal Icterus spurius is kleiner, met een kortere staart; het mannetje is kastanjebruin in plaats van oranje en het vrouwtje groenig geel zonder oranje toon. De eilandtroepialen zoals de witvleugeltroepiaal Icterus leucopteryx op Jamaica, de Hispaniolatroepiaal Icterus dominicensis en de Puerto Ricaanse troepiaal Icterus portoricensis zijn standvogels; geen ervan heeft de combinatie van zwarte kop met oranje onderdelen, en de laatste twee zijn grotendeels zwart. De troepiaal Icterus icterus is groter, met blauwe huid rond het oog en een grote witte vleugelvlek.
Leefgebied
Op de eilanden in tuinen, parken, fruit- en koffieplantages, bosranden en halfopen bos, vaak in bloeiende bomen, waar hij nectar drinkt. Eet daarnaast vruchten en insecten. Broedt niet in het Caribisch gebied.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Schaarse doortrekker en wintergast in de Bahama's, op Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) en Puerto Rico. Zeldzaam op de Maagdeneilanden en de Turks- en Caicoseilanden, en dwaalgast op de Kleine Antillen, de ABC-eilanden en Trinidad en Tobago. Broedt van het zuiden van Canada tot het midden en oosten van de Verenigde Staten; overwintert vooral van het zuiden van Mexico tot Colombia en Venezuela, in klein aantal ook in het zuidoosten van de Verenigde Staten.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is tijdens de trek in oktober en april, en in de winter bij bloeiende bomen in tuinen en parken op Cuba en Jamaica. Vrouwtjes en jonge vogels worden vaak over het hoofd gezien tussen andere bezoekers van bloeiende bomen; de witte vleugelstrepen en de oranje toon van de borst zijn het eerste kenmerk.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De broedpopulatie is groot, maar neemt volgens de Noord-Amerikaanse tellingen langzaam af.
Wetenschappelijke naam
Icterus galbula | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als C[oracias] Galbula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Icterus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Icterus komt van het Griekse ikteros, een gele vogel — doorgaans opgevat als de wielewaal — waarvan de aanblik geelzucht zou genezen. galbula is de Latijnse naam voor een gele vogel, opnieuw waarschijnlijk de wielewaal. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Virginia.





