Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Bonte stern

Bonte stern | Onychoprion fuscatus

Sooty Tern | Charrán sombrío

De bonte stern is de talrijkste zeevogel van de tropische oceanen. Hij vormt dichte, luidruchtige kolonies van soms tienduizenden paren op afgelegen cays en is buiten de broedtijd vrijwel voortdurend in de lucht: de veren zijn slecht waterafstotend en de vogel rust niet op het water. Hij vist door prooien van het oppervlak te pikken, niet door te duiken.

Bonte stern (Onychoprion fuscatus)
Foto: Duncan Wright, USFWS — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Op en boven de kolonie dag en nacht een nasaal, drielettergrepig ker-wak-a-wak of wide-a-wake, waaraan de soort in het Engels de bijnaam wideawake dankt; ook harde alarmroepen.

Luister: VluchtroepXC620158

Opname: AUDEVARD Aurélien — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

36–45 cm, met lange, spitse vleugels en een diep gevorkte staart. Bovendelen, vleugels en staart zijn zwart, met witte buitenranden aan de staart. Een brede witte voorhoofdsvlek reikt tot boven het oog, niet erachter, en een zwarte teugelstreep loopt van oog naar snavel. Onderdelen wit; de ondervleugel heeft witte dekveren en contrasterend donkere slagpennen. Snavel en poten zijn zwart. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn roetbruin met witte stippen op rug en vleugels, een lichtere buik en onderstaart en een minder diep gevorkte staart.

Verwarrings­soorten

De brilstern Onychoprion anaethetus is kleiner en slanker, met een grijsbruine rug die afsteekt tegen de zwarte kap, een witte nekband en een smallere witte voorhoofdsvlek die als wenkbrauwstreep achter het oog doorloopt. Jonge bonte sterns lijken op de noddy Anous stolidus, die een egaal bruine buik, een lichte kruin en een wigvormige staart heeft.

Leefgebied

Open oceaan, vaak ver uit de kust, waar groepen vissen boven scholen tonijn. Broedt dicht opeen op de grond van vlakke zand- en koraalcays en rotseilandjes, tussen lage begroeiing of op kale grond; het ene ei ligt in een ondiepe kuil.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Grote broedkolonies op afgelegen eilandjes in het hele gebied, onder meer op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, cays rond Cuba en Jamaica (vooral de Pedro- en Morant Cays), rond Puerto Rico (Culebra) en de Maagdeneilanden, in de Kleine Antillen (onder meer bij Anguilla en Antigua en in de Grenadines), bij Aruba, voor Tobago en rond San Andrés. Elders voornamelijk boven open zee te zien. Buiten het gebied broedt de soort in alle tropische en subtropische oceanen, in de Atlantische Oceaan ook op de Dry Tortugas en Ascension.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kolonies zijn het best te zien vanaf een boot in de broedtijd; betreding verstoort de vogels en is op veel eilandjes niet toegestaan. Op zee zijn groepen al van verre te horen. Na stormen worden vogels soms boven land of in baaien gezien.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie telt vele miljoenen vogels. In het Caribisch gebied zijn kolonies afgenomen door het rapen van eieren, dat op sommige eilanden nog voorkomt, en door ingevoerde ratten, katten en geiten op broedeilanden.

Wetenschappelijke naam

Onychoprion fuscatus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Sterna fuscata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Onychoprion werd in 1832 ingevoerd door Wagler. Onychoprion komt van het Griekse onyx 'nagel, klauw' en prion 'zaag'. fuscatus is Latijn voor 'donker gemaakt', bij fuscus 'donker', naar de roetzwarte bovenzijde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Santo Domingo.