Alle soorten › Zangvogels › Troepialen › Bruinkopkoevogel

Bruinkopkoevogel | Molothrus ater

Brown-headed Cowbird | Tordo cabeza café

De bruinkopkoevogel is de broedparasiet van Noord-Amerika: het vrouwtje legt haar eieren in de nesten van andere zangvogels, die de jongen grootbrengen. In het Caribisch gebied is de soort een zeldzame gast die vooral in de winter en tijdens de trek in de noordelijke Bahama's opduikt; een vaste broedpopulatie is uit het gebied niet bekend.

Bruinkopkoevogel (Molothrus ater)
Foto: Lisette Lebaillif — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang van het mannetje is een kort, vloeibaar gebobbel dat overgaat in een dun, hoog fluitje, ongeveer bloeb-bloeb-sieee. Verder een fijn, hoog vluchtfluitje en, van het vrouwtje, een droge ratel tsjk-tsjk-tsjk.

Luister: ZangXC1012893

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm, gedrongen, met een korte, dikke, kegelvormige snavel en een vrij korte staart. Het mannetje is glanzend zwart met een groenige glans en een doffe, chocoladebruine kop en hals. Het vrouwtje is egaal grijsbruin, met een lichtere keel en een vage, fijne streping op de onderdelen. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, maar zijn lichter en duidelijker gestreept, met lichte randen aan de vleugelveren die een geschubd patroon geven. Foerageert lopend op de grond met opgeheven staart.

Verwarrings­soorten

De glanskoevogel Molothrus bonariensis is de koevogel die in het grootste deel van het gebied voorkomt; het mannetje is geheel glanzend paarszwart, zonder bruine kop, en heeft een iets langere, spitsere snavel. Het vrouwtje van de glanskoevogel is warmer bruin, met een vage lichte wenkbrauwstreep en een minder lichte keel; vrouwtjes lijken in het veld sterk op elkaar en zijn vooral op de snavelvorm te onderscheiden. De bruinboegtroepiaal Agelaius humeralis is geheel zwart met een bruingele schoudervlek en een langere, spitse snavel.

Leefgebied

Open land met kort gras en verspreide bomen: weilanden, sportvelden, golfbanen, erven en parken, ook bij voederplaatsen in tuinen. Zoekt zaden en insecten op de grond, vaak in gezelschap van andere zwarte vogels. In het broedgebied parasiteert de soort op meer dan tweehonderd andere vogelsoorten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Zeldzame gast op de noordelijke Bahama's, het meest op Grand Bahama, verder op Abaco en New Providence en een enkele keer zuidelijker, tot Cat Island en San Salvador. De meeste meldingen vallen tussen oktober en april, met een piek in het voorjaar; losse zomermeldingen op Grand Bahama, zonder dat broeden is aangetoond. Dwaalgast op Cuba, vooral rond Havana, en een enkele melding op Barbados. Buiten het gebied broedvogel in het grootste deel van Noord-Amerika en Mexico; overwintert in het zuiden van de Verenigde Staten en Mexico.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De kans is het grootst in de winter op Grand Bahama, bij grasvelden, voederplaatsen en golfbanen, vaak tussen glanskoevogels of troepialen. Een mannetje is aan de bruine kop te herkennen; bij een vrouwtje zijn de korte, dikke snavel en de lichte keel de beste kenmerken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In Noord-Amerika talrijk, al is de populatie sinds de jaren zestig afgenomen. Omdat de soort de nesten van andere vogels parasiteert, wordt een eventuele vestiging in de Bahama's met zorg gevolgd, vanwege de kwetsbare eilandsoorten daar.

Wetenschappelijke naam

Molothrus ater | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Oriolus ater; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Molothrus werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Molothrus is Grieks, van mōlos 'strijd' en thrōskō 'bevruchten', mogelijk naar het broedparasitisme of de baltsgevechten van de mannetjes. ater is Latijn voor 'dofzwart', naar het zwarte verenkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Carolina (VS).