Alle soorten › Nachtzwaluwachtigen › Nachtzwaluwen › Carolinanachtzwaluw

Carolinanachtzwaluw | Antrostomus carolinensis

Chuck-will's-widow | Guabairo americano

De carolinanachtzwaluw is de grootste nachtzwaluw van Noord-Amerika en overwintert voor een belangrijk deel in het Caribisch gebied. Lange tijd gold hij daar alleen als wintergast, maar op Grand Bahama, Great Abaco en North Andros blijkt hij ook te broeden, met naar schatting 500 tot 1000 paren. In de winter is hij stil en wordt hij weinig waargenomen.

Carolinanachtzwaluw (Antrostomus carolinensis)
Foto: U.S. Fish & Wildlife Service Southwest Region — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een ritmisch, herhaald tsjuk-wil-WIE-do, met een korte, vaak alleen van dichtbij hoorbare eerste toon. Hij wordt in het broedgebied, ook op de Bahama's, van maart tot juli gegeven; in de winter is de soort vrijwel stil en is hooguit een laag kwuk te horen.

Luister: ZangXC1000236

Opname: steve — CC BY-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

28–33 cm, groot en zwaar, met een grote, platte kop en een brede bek met lange borstels. Het verenkleed is warm roestbruin, fijn gemarmerd en gevlekt met zwart en geelbruin. De keel is geelbruin met een smalle lichte band eronder; de borst is donker gevlekt. Het mannetje heeft witte binnenvlaggen aan de buitenste staartpennen, die vooral bij het wegvliegen zichtbaar zijn. Het vrouwtje heeft in plaats daarvan geelbruine toppen. De vleugels missen een witte band.

Verwarrings­soorten

De Cubaanse nachtzwaluw Antrostomus cubanensis, de Hispaniolanachtzwaluw Antrostomus ekmani en de Puerto Ricaanse nachtzwaluw Antrostomus noctitherus zijn kleiner en donkerder grijsbruin, minder roestkleurig, en hebben een eigen zang; elk is aan één eiland gebonden. De noordelijke reuzennachtzwaluw Nyctibius jamaicensis is groter, met een lange staart, en zit rechtop op een paal of tak. De Antilliaanse nachtzwaluw Chordeiles gundlachii heeft spitse vleugels met een witte band en ontbreekt in de winter.

Leefgebied

In de winter droog en halfgroen bos, kalksteenbos, kustbos, mangroverand, struweel en grote tuinen met bomen. Op de noordelijke Bahama's broedt hij in pijnbos van Caribische den met ondergroei en in loofbos (coppice). Jaagt in de schemering en 's nachts op grote insecten, soms ook op kleine vogels of vleermuizen. Overdag rust hij op de grond of in de lengterichting op een tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Wintergast op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) en Puerto Rico; zeldzaam op de Maagdeneilanden. Broedvogel op Grand Bahama, Great Abaco en North Andros. Dwaalgast op enkele eilanden van de Kleine Antillen en de ABC-eilanden. Buiten het gebied broedt de soort in het zuidoosten en midden van de Verenigde Staten en overwintert ze ook in Midden-Amerika en het noordwesten van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de winter worden vogels meestal toevallig gevonden: opgejaagd van de grond in bos, of 's nachts in het lamplicht op wegen. Op de noordelijke Bahama's is de soort van maart tot juli in de schemering aan de zang te herkennen, vooral in pijnbos.

Staat van instandhouding

Gevoelig (Near Threatened). De broedpopulatie in de Verenigde Staten is de afgelopen decennia sterk afgenomen, onder meer door verlies van bos en een afname van grote nachtinsecten. De Bahamaanse broedvogels hangen af van het pijnbos, dat door brand en kap onder druk staat.

Wetenschappelijke naam

Antrostomus carolinensis | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Caprimulgus carolinensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Antrostomus werd in 1838 ingevoerd door Bonaparte. Antrostomus is Grieks, van antron 'grot' en stoma 'mond': 'grotmond', naar de enorm wijde muil. carolinensis betekent 'uit Carolina', naar de Amerikaanse kolonie waar Catesby de vogel beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit South Carolina.