Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Cubaanse dwerguil

Cubaanse dwerguil | Glaucidium siju

Cuban Pygmy Owl | Sijú platanero

De Cubaanse dwerguil is de kleinste uil van Cuba en een van de algemeenste endemen van het eiland. Hij is zowel overdag als 's nachts actief en zit vaak goed zichtbaar op een tak, waar hij met zijn staart wipt. Zangvogels houden hem nauwlettend in de gaten en alarmeren luid wanneer ze hem ontdekken.

Cubaanse dwerguil (Glaucidium siju)
Foto: Petty Officer 1st Class Marty Parsons of the United States Navy (or Specialist Megan Burnham of the Joint Task Force Guantanamo Public Affairs department. Either way, public domain.) — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje zingt een reeks min of meer gelijkmatig gespatieerde, holle tonen, ongeveer oe-oe-oe-oe. Bij alarm laten beide seksen een snelle, versnellende reeks hogere, piepende tonen horen.

Luister: ZangXC995146

Opname: FREDERIC Lionel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–17 cm, klein en gedrongen, met een ronde kop zonder oorpluimen, gele ogen en witachtige tot kaneelkleurige wenkbrauwen boven een lichtgrijs gezicht. Er zijn twee kleurvormen: een algemenere grijsbruine en een roodbruine. De bovendelen zijn bruin met fijne lichte bandering, de staart is gebandeerd. Op de achterkop zitten twee donkere 'valse ogen' met een lichte rand. De borst is bruin gebandeerd, de buik wit met bruine strepen. Vrouwtjes zijn gemiddeld zwaarder dan mannetjes.

Verwarrings­soorten

De Cubaanse schreeuwuil Margarobyas lawrencii is iets groter, heeft donkere ogen en lange kale poten en is strikt nachtactief. De holenuil Athene cunicularia heeft een kortere staart en lange poten en leeft in open land. Andere dwerguilen komen op Cuba niet voor.

Leefgebied

Vrijwel alle bostypen: kustbos, droog en halfgroen loofbos, kalksteenbos, pijnbos en bergbos van zeeniveau tot ongeveer 1.500 meter; ook weiden met verspreide bomen, plantages en stadsparken. Jaagt vanaf een uitkijkpost op insecten en kleine hagedissen, soms op kleine vogels, zoogdieren en kikkers. Broedt van november tot april in natuurlijke boomholten en spechtengaten, met drie tot vier eieren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Alleen op Cuba en Isla de la Juventud, verspreid en algemeen over het hele eiland. Drie ondersoorten worden onderscheiden: de nominaat op het hoofdeiland, turquinense op de Pico Turquino en vittatum op Isla de la Juventud. Buiten Cuba komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In vrijwel elk bosgebied, bijvoorbeeld op het schiereiland Zapata en in de Sierra del Rosario, ook overdag. Een groep alarmerende zangvogels in een boom is vaak de beste aanwijzing; de uil zelf zit dan meestal stil op een tak in het midden van de onrust.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen. Het kappen van kleine bosjes en bomen met holten tast het leefgebied plaatselijk aan.

Wetenschappelijke naam

Glaucidium siju | (d'Orbigny, ACVMD, 1839)

D'Orbigny, ACVMD beschreef de soort in 1839 als Noctua siju; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Glaucidium werd in 1826 ingevoerd door Boie. Glaucidium is het Griekse glaukidion 'uiltje', een verkleinwoord van glaux 'uil'. siju is de Cubaanse volksnaam sijú voor dit uiltje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.