Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Cubaanse koningstiran

Cubaanse koningstiran | Tyrannus cubensis

Giant Kingbird | Pitirre real

De Cubaanse koningstiran is de grootste koningstiran en een van de zeldzaamste vogels van Cuba. Hij komt nog verspreid over het eiland voor, in kleine, van elkaar gescheiden populaties. Op Great Inagua en de Caicoseilanden broedde de soort vroeger ook; het laatste geval daar dateert van 1891, en fossiele resten tonen aan dat hij ooit ook op de noordelijke Bahama's leefde.

Cubaanse koningstiran (Tyrannus cubensis)
Foto: Len Worthington — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, schor gekwetter, als toe-toe-toewie-toewie-toewie, lager en ruwer dan de roep van de grijze koningstiran. Paren roepen soms in duet.

Luister: RoepXC947204

Opname: Johan DM — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

23–26 cm, fors, met een grote kop en een massieve, zwarte snavel met gebogen bovenrand. Kop zwartachtig met witte wangen; een oranje kruinvlek is meestal verborgen. Bovendelen middel- tot roetgrijs, de vleugeldekveren met witte randen die twee vleugelstrepen vormen. Staart zwartachtig, licht ingekeept, in vers kleed met smalle witte toppen. Onderdelen wit, soms met een grijze zweem op de borst. Poten zwartachtig. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De grijze koningstiran Tyrannus dominicensis is kleiner en lichter grijs van boven, met een duidelijk zwart oogmasker, een kleinere snavel en een dieper ingekeepte staart. De dikkopkoningstiran Tyrannus caudifasciatus is iets kleiner, olijfbruiner van boven, met een donkere kap zonder witte wangen en meestal een lichte eindband aan de staart. De grote snavel en de witte wangen onder de zwarte kap zijn bij de Cubaanse koningstiran het beste kenmerk.

Leefgebied

Hoog bos in het laagland, bosranden langs rivieren en moerassen, pijnbos en gemengd bos, en open terrein of savanne met verspreide hoge bomen, ook palmgroepen bij landbouwgebied. De soort lijkt bomen van ten minste een meter of dertien hoog nodig te hebben en komt voor van zeeniveau tot ongeveer 1100 m. Hij jaagt vanaf een hoge zitplaats op grote insecten, hagedissen en ook kleine vogels, en eet vruchten.

Verspreiding en trek

Endemisch op Cuba, met een sterk versnipperde verspreiding: plaatselijk langs de noordwest- en zuidoostkust en op enkele plekken in het binnenland; van het Isla de la Juventud is de soort ook gemeld. Op Great Inagua (Bahama's) en de Caicoseilanden uitgestorven. Buiten Cuba alleen als dwaalgast vastgesteld, onder meer in Mexico.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bekende plekken liggen in het oosten van het eiland en in het binnenland van Camagüey, waar plaatselijke gidsen territoria kennen. De vogel zit vaak hoog en open op een dode tak in de kruin van een grote boom; de forse snavel en het luide, schorre roepen helpen bij het onderscheid met de algemene grijze koningstiran.

Staat van instandhouding

Bedreigd. De populatie wordt geschat op 250 tot 1000 volwassen vogels, sterk versnipperd en vermoedelijk afnemend. De belangrijkste oorzaken zijn het verlies van bos en van grote nestbomen door houtkap en omzetting in landbouwgrond.

Wetenschappelijke naam

Tyrannus cubensis | Richmond, 1898

Richmond beschreef de soort in 1898 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Tyrannus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Tyrannus is Latijn (van Grieks turannos) voor 'tiran, alleenheerser', naar het agressieve gedrag waarmee deze vogels zelfs roofvogels verjagen. cubensis betekent 'van Cuba', naar het land van herkomst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.