Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Grijze koningstiran
Grijze koningstiran | Tyrannus dominicensis
Grey Kingbird | Tirano gris
De grijze koningstiran zit in het Caribisch gebied vaak open en bloot: op elektriciteitsdraden, antennes en kale takken langs wegen, stranden en dorpen. Zijn roep heeft de soort in de regio namen opgeleverd als pitirre en petchary. De noordelijke populaties trekken in de winter naar het zuiden; op de Kleine Antillen leeft de ondersoort vorax.
Geluid
Een luid, rollend pi-tirr-ri of pipiri, vaak herhaald en vooral in de vroege ochtend en bij achtervolgingen te horen. Daarnaast korte, scherpe kwetterroepen.
Opname: Rory Nefdt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
23–24 cm, met een grote kop, een lange, zware, rechte snavel en een vrij lange, ingekeepte staart. Bovendelen grijs, vleugels en staart donker grijsbruin. Een zwartachtig masker loopt van de snavel door het oog naar de oorstreek. Onderdelen wit, de borst grijzig overwaasd; soms een zweem geel op de onderbuik of onderstaart. Een gele kruinvlek is meestal verborgen. De staart heeft geen witte top of witte buitenranden. Jonge vogels zijn bruiner van boven, met roestkleurige randen aan vleugeldekveren, stuit en staart. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De dikkopkoningstiran Tyrannus caudifasciatus heeft een donkere, bijna zwarte kap zonder afstekend masker, een olijfbruine rug en meestal een lichte eindband aan de staart. De koningstiran Tyrannus tyrannus is zwartachtig van boven met een witte staarttop en een kortere snavel. De tropische koningstiran Tyrannus melancholicus heeft een gele buik en borst en een olijfgroene rug. De Cubaanse koningstiran Tyrannus cubensis is groter, met een veel zwaardere snavel en witte wangen onder een zwarte kap.
Leefgebied
Open terrein met verspreide bomen: tuinen, dorpen en steden, weilanden, plantages, kustbegroeiing, mangrove, bosranden en savanne. Jaagt vanaf een hoge, open zitplaats op vliegende insecten en eet ook vruchten. Verdedigt het territorium fel, ook tegen veel grotere vogels zoals roofvogels en kraaien. Het nest is een losse kom van twijgjes in een boom, mangrove of op een menselijk bouwwerk.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Broedvogel op de Bahama's, de Turks- en Caicoseilanden, Cuba, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek), Puerto Rico, de Maagdeneilanden, de Kleine Antillen, de ABC-eilanden, San Andrés en Trinidad en Tobago. Op Cuba en de Bahama's vooral van maart tot oktober aanwezig; vogels uit Florida trekken ook door het gebied. Buiten het gebied broedt de soort in Florida en langs de Caribische kust van Colombia en Venezuela; noordelijke vogels overwinteren in het noorden van Zuid-Amerika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Vrijwel overal te zien waar draden of losse bomen langs open terrein staan, ook bij hotels en luchthavens. Op Cuba en de Bahama's in de winter zeldzaam; een grijze koningstiran daar in december of januari verdient een tweede blik op het kopmasker en de staart om verwarring met de dikkopkoningstiran uit te sluiten.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort heeft een groot verspreidingsgebied, is op de meeste eilanden algemeen en profiteert van open, door de mens gevormd terrein.
Wetenschappelijke naam
Tyrannus dominicensis | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als [Lanius Tyrannus] dominicensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tyrannus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Tyrannus is Latijn (van Grieks turannos) voor 'tiran, alleenheerser', naar het agressieve gedrag waarmee deze vogels zelfs roofvogels verjagen. dominicensis betekent 'van Santo Domingo', de oude naam voor Hispaniola, waar de soort werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Santo Domingo (Hispaniola).






