Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Dikkopkoningstiran
Dikkopkoningstiran | Tyrannus caudifasciatus
Loggerhead Kingbird | Pitirre guatíbere
De dikkopkoningstiran is de bosbewonende koningstiran van de noordelijke Antillen. Waar de grijze koningstiran het open terrein en de draden langs de weg bezet, jaagt deze soort vaker binnen of aan de rand van bos. Er worden zeven ondersoorten onderscheiden, verdeeld over de eilanden. Op grond van verschillen in kleed, maten en geluid is voorgesteld de vogels van Puerto Rico (taylori) en Hispaniola (gabbii) als aparte soorten te beschouwen.
Geluid
Luide, ratelende en kwetterende roepen, als bzze-e-e-e, vaak in reeksen; bij het hofmaken en achtervolgingen roepen de vogels vrijwel onophoudelijk, ook in duet. De geluiden verschillen per eiland.
Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
24–26 cm, met een grote kop en een zware snavel. Kap zwartachtig, met een oranje of gele kruinvlek die zelden te zien is. Rug en vleugels olijf- tot grijsbruin, de vleugeldekveren licht gerand. Onderdelen wit tot vuilwit, de borst soms grijzig of de buik gelig overwaasd. De staart is donker en vrijwel recht afgesneden, bij de meeste populaties met een lichte, grijze tot witachtige eindband; breedte en kleur van die band verschillen per eiland. De seksen zijn gelijk.
Verwarringssoorten
De grijze koningstiran Tyrannus dominicensis is lichter grijs van boven, heeft een zwart oogmasker tegen een grijze kruin in plaats van een donkere kap, een ingekeepte staart zonder eindband en zit meer in open terrein. De koningstiran Tyrannus tyrannus is kleiner, zwartachtig van boven, met een kortere snavel en een helderwitte staarttop. De Cubaanse koningstiran Tyrannus cubensis op Cuba is groter, met witte wangen en een veel zwaardere snavel.
Leefgebied
Loofbos, droog en vochtig, pijnbos, kalksteenbos, schaduwkoffieplantages, mangrove en parkachtig terrein met grote bomen, van de kust tot in het lagere gebergte. De vogel jaagt vanaf een beschutte zitplaats onder of aan de rand van het bladerdak en pakt insecten zowel in de lucht als van bladeren en takken; ook kleine hagedissen en vruchten staan op het menu.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Standvogel op de Bahama's (vooral de noordelijke eilanden, zoals Grand Bahama, Abaco, Andros en New Providence), Cuba met het Isla de la Juventud en de cays, de Kaaimaneilanden, Jamaica, Hispaniola (Haïti en de Dominicaanse Republiek) en Puerto Rico met Vieques. Ontbreekt op de Kleine Antillen. Buiten het gebied een zeer zeldzame dwaalgast in het zuiden van Florida.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Vaak te vinden langs bospaden en in koffieplantages, waar de vogel rechtop op een tak onder het bladerdak zit. Op Cuba, Jamaica en Puerto Rico in de meeste bosgebieden algemeen. Bij goed zicht op de staart is de lichte eindband het snelste verschil met de grijze koningstiran.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De soort is op de meeste eilanden algemeen. Ontbossing kan plaatselijk tot achteruitgang leiden, maar de vogel komt ook voor in plantages en ander deels open terrein.
Wetenschappelijke naam
Tyrannus caudifasciatus | d'Orbigny, ACVMD, 1839
D'Orbigny, ACVMD beschreef de soort in 1839 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Tyrannus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Tyrannus is Latijn (van Grieks turannos) voor 'tiran, alleenheerser', naar het agressieve gedrag waarmee deze vogels zelfs roofvogels verjagen. caudifasciatus is Latijn, van cauda 'staart' en fasciatus 'gebandeerd', naar de lichte band aan de staartpunt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.





