Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Cubaanse solitaire
Cubaanse solitaire | Myadestes elisabeth
Cuban Solitaire | Ruiseñor
De Cubaanse solitaire is een slanke, onopvallend gekleurde lijster van de bergbossen van Cuba, die vooral door zijn zang opvalt. Op Cuba heet hij ruiseñor. De soort leeft in twee gescheiden gebieden, in het westen en het oosten van het eiland. Een aparte ondersoort van Isla de la Juventud is uitgestorven.
Geluid
Een reeks hoge, fluitende, gevarieerde tonen met een metaalachtige klank, die vergeleken wordt met het wrijven van een natte vinger over de rand van een glas. De zang klinkt buikspreekachtig. De roep is een korte fluittoon.
Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
19–21 cm, slank, met een korte, brede snavel, een vrij lange staart en een rechte houding. Bovendelen olijfbruin, onderdelen vuil grijswit, op de borst grijzer. Rond het oog een dunne witte ring, met een witachtige vlek voor het oog en een donkere baardstreep langs de keel. De buitenste staartpennen zijn wit en vallen op in de vlucht. De bovensnavel is zwartachtig, de ondersnavel hoornkleurig met een donkere punt. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn boven gevlekt met lichtbruin en onder bruin gevlekt.
Verwarringssoorten
De bruinbuikpiewie Contopus caribaeus zit eveneens rechtop in het bos, maar is kleiner, heeft een witte halvemaan achter het oog en geen witte staartzijden, en vangt insecten in korte vluchten. De westelijke roodpootlijster Turdus plumbeus is groter en grijs, met rode poten, een rode snavel en een zwart-witte keel. De spotlijster Mimus polyglottos heeft ook witte staartzijden, maar ook witte vleugelvlakken, en leeft in open land.
Leefgebied
Vochtig en halfgroen bos, pijnbos, bos op de kalksteenrotsen (mogotes), bergregenwoud en nevelwoud in heuvels en bergen, tot ongeveer 2000 m. Zoekt in de onder- en middenlaag naar vruchten en insecten, vaak in korte vluchten vanaf een tak. Het nest is een kom van plantenvezels, worteltjes en mos, in een rotsspleet, een holte in een boom of een verdieping in een steile wand; broedt van februari tot juli.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Alleen op Cuba. In het westen in de Sierra de los Órganos en de Sierra del Rosario (provincies Pinar del Río en Artemisa); in het oosten in de Sierra Maestra en de bergen van Nipe-Sagua-Baracoa. Ontbreekt in het midden van het eiland. De ondersoort van Isla de la Juventud is uitgestorven. De soort komt buiten Cuba niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In de westelijke bergen is de soort te vinden bij Viñales, Soroa en La Güira; in het oosten in de bossen van de Sierra Maestra en het Alexander von Humboldt-park. De zang, vooral in de vroege ochtend, is de beste aanwijzing; een zingende vogel zit vaak stil op een beschaduwde tak.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, maar de populatie (geschat op 10.000–50.000 volwassen vogels) neemt af. Bedreigingen zijn ontbossing en het vangen van vogels voor de kooivogelhandel.
Wetenschappelijke naam
Myadestes elisabeth | (Lembeye, 1850)
Lembeye beschreef de soort in 1850 als Muscicapa elisabeth; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myadestes werd in 1838 ingevoerd door Swainson. Myadestes is Grieks, van muia 'vlieg' en edestēs 'eter': 'vliegeneter'. elisabeth eert koningin Isabella I van Castilië (1451–1504), onder wier bewind Columbus Cuba bereikte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Cuba.




