Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Roodkeelsolitaire

Roodkeelsolitaire | Myadestes genibarbis

Rufous-throated Solitaire | Solitario gorjirrufo

De roodkeelsolitaire is een grijze lijster met een roestrode keel van de vochtige bergbossen van de Grote en Kleine Antillen. Hij wordt veel vaker gehoord dan gezien: de lange fluittonen klinken door het hele bos. Op Dominica en Saint Lucia heet hij siffleur montagne. Elk eiland heeft een eigen ondersoort.

Roodkeelsolitaire (Myadestes genibarbis)
Foto: Thibaud Aronson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit lange, trage, zuivere fluittonen van wisselende hoogte, afgewisseld met snelle dubbeltonen, met een klank als van een blikken fluitje. Hij is sterk buikspreekachtig en vooral bij zonsopgang en in mist te horen. De roep is een enkele lange toon, als een verre claxon.

Luister: ZangXC1081988

Opname: Garrett Yocklin — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

19–21 cm, slank, met een korte zwarte snavel, een vrij lange staart en gele poten. Kruin en bovendelen leigrijs, bij de vogels van Saint Vincent zwartachtig. Onder het oog een witte halvemaan, daaronder een donkere baardstreep; de wang is roestbruin gespikkeld. De kin is witachtig, de keel kastanjebruin, de borst middengrijs en de onderbuik en onderstaart oker- tot roestbruin. De buitenste staartpennen zijn wit en zichtbaar in de vlucht. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn bruiner en sterk lichtbruin gevlekt.

Verwarrings­soorten

Geen andere lijster in het bos heeft de combinatie van grijze bovendelen, roestrode keel en witte staartzijden. De roestbuikpiewie Contopus latirostris zit even rechtop, maar is kleiner, met een lichte snavelbasis en een egaal okerkleurige onderzijde. De antillenlijster Turdus lherminieri is groter en bruin, met een gele snavel en geschubde borst. Op Hispaniola is de hispaniolalijster Turdus swalesi groter en donkerder, met een oranjerode onderborst en buik.

Leefgebied

Dicht, vochtig, groenblijvend bos van het laagland tot in het nevelwoud, tot ongeveer 1800 m, met een voorkeur voor bergbos en beboste ravijnen langs beken; op Jamaica ook vochtig kalksteenbos. Eet vooral vruchten en bessen en vangt insecten in korte vluchten vanaf een beschaduwde tak in de middenlaag. Het nest is een kom van mos en worteltjes in een holte, op een tak tegen een stam of tussen epifyten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Standvogel op Jamaica (vooral de Blue Mountains, de John Crow Mountains en Cockpit Country), Hispaniola (het Massif de la Hotte en het Massif de la Selle in Haïti, de Sierra de Bahoruco en de Cordillera Central in de Dominicaanse Republiek), Dominica, Martinique, Saint Lucia en Saint Vincent. Ontbreekt op Guadeloupe en de andere eilanden. De soort komt buiten het Caribisch gebied niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,18° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het beste in de vroege ochtend in bergbos, bijvoorbeeld in de Blue Mountains op Jamaica, de Sierra de Bahoruco in de Dominicaanse Republiek of het Syndicate-gebied op Dominica. De zang verraadt de soort, maar de vogel zit vaak stil; goed zoeken in de middenlaag bij de plek van het geluid helpt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De populatie neemt vermoedelijk af door ontbossing in het laagland en de lagere bergzones, vooral op Hispaniola. Orkanen kunnen het bos op de kleinere eilanden tijdelijk sterk aantasten.

Wetenschappelijke naam

Myadestes genibarbis | Swainson, 1838

Swainson beschreef de soort in 1838 als Myidestes genibarbis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Myadestes werd in 1838 ingevoerd door Swainson. Myadestes is Grieks, van muia 'vlieg' en edestēs 'eter': 'vliegeneter'. genibarbis is Latijn, van gena 'wang' en barba 'baard', naar de witte baardstreep onder het oog. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Martinique (oorspronkelijk abusievelijk 'Afrika of India').